Just a short one in-between.
On TV we could see how lieutenant-colonel Karremans had a toast with Mr. Mladic. We could see how Dutch soldiers shook hands with the Serbian soldiers in Srebenica. We couldn't see any frustration, any silent protest from the Dutch soldiers when they realised that they couldn't fight the Serbians. Now they try to hide behind the NATO (they were guilty, too), but nothing suggests their reluctance to try to prevent the Serbs fromn killing 7,000 men in Srebrenica.
Mr. Mladic will show and use these images, and also the images of himself, reassuring the people of Srebrenica that nothin would harm them and that they would be treated in a friendly way. And also, that he didn't know anything about the massacre that took place.
Unbelievably, Mr. Karremans got a promotion to general after his behaviour in which he didn't even took a neutral position as he was supposed to do as a NATO officer, but he even showed friendship behaviour with Mladic, drinking and exchanging presents. Even though we could see how Mr. Mladic offended him by calling him a lousy piano player. Luckily Mr. Karremans recently told in a radio interview that he felt responsible, co-responsible, for the killings that took place.
If Mr Karremans is a man with balls, then he would leave the army voluntarily by resigning. I feel ashamed to have such military people in the Dutch army, luckily there are examples of other more brave military such as Mr. Marco Kroon, who got the highest order possible in the army for his brave behaviour in Afghanistan, but got prosecuted for alleged possession of drugs, for which he got acquittal.
Apparently, we punish our brave military, and we reward our cowards. It's a shame. The Dutch government should be sentenced to pay compensation to the widows of the killed people of Srebrenica. Maybe they can declare this money partly from NATO who refused to send help forces to support the handful of Dutch soldiers who were supposed to withhold the Serb army from murdering, an impossible task, but not enough to hide behind the broad shoulders of NATO.
Saturday, June 04, 2011
Godsdienst en godsdienstbeleving – enkele persoonlijke ervaringen
Voordat ik hier iets over kan zeggen, moet ik eerst omschrijven wat ik versta onder “gemoedstoestand”. Want het beleven van godsdienst of religie is een gemoedstoestand, een toestand van het gemoed. Het gemoed is het emotionele deel van ons bewustzijn, en onder bewustzijn versta ik datgene wat vele anderen de “ziel” plegen te noemen, en daaronder iets diepers, iets spirituelers dan het bewustzijn verstaan. Velen van hen zijn overtuigd van het bestaan van niet zintuiglijk waarneembare werkelijkheden waarvan zij zelfs ontkennen dat deze niet zintuiglijk waarneembaar zouden zijn. Vooralsnog beperk ik mij tot het zintuigelijk waarneembare, dat door wetenschappers en juristen als zodanig wordt beschouwd.
Dit stuk is dus niet geschreven voor hen die veel waarde hechten aan sprituele werkelijkheden. Zoals iemand mij onlangs, toen ik dit stuk op een lezing voordroeg, meedeelde: “Ik kan hier niets mee”, want hij meende met alles in verbinding te staan en met alles te communiceren, daarom vond hij empirisch onderzoek nutteloos.
Het heeft tot mijn vijfenveertigste levensjaar geduurd, voordat ik mij realiseerde wat voor invloed een godsdienst kan hebben op de gemoedstoestand van een mens. Deze gemoedstoestanden staan bijvoorbeeld prachtig beschreven in het standaardwerk van William James: “The variety of religious experiences”. Echter, lang voordat ik dat boek had gelezen, ontmoette ik rond de tijd van mijn toetreden tot de orde mijn schoonfamilie en maakte ik kennis met de christelijk-orthodoxe manier van denken en voelen. Een manier van denken die wij als democratisch en loiberaal denkende mensen geacht worden te tolereren en te respecteren.
De mensheid wordt steeds meer één grote categorie, één grote groep. Dit gaat gepaard met conflicten en oorlogen, die bijna alle zijn terug te voeren op het willen vasthouden aan oude tradities, die immers door de nieuwe social media zoals pc, mobieltjes, internet, twitter, enz. worden aangetast. Ook de transportmiddelen bevorderen een grote uitwisseling van culturele waarden en tradities, door handelslieden en industriëlen, maar ook door massa’s die een beter bestaan zoeken in de rijkere delen van de wereld. De Nederlandse bevolking bijvoorbeeld is in enkele decennia aangevuld met de bevolking van een stad als Amsterdam aan immigranten, van wie velen met een culturele achtergrond waarin alle dagelijkse en bijzondere handelingen en gebeurtenissen in het leven worden uitgelegd als door God of Allah bestuurd en geregeld. De sociale controle en geestelijk leiders bewaken deze orde in de naam van Allah of God. Slechts langzaamaan en maar voor een deel passen deze waarden zich aan aan de veel meer op individuele vrijheid gerichte waarden van de westerse maatschappij.
Ik voerde ooit een gesprek met een orthodox-christelijke collega, over een berekening die de jonge Goethe had gemaakt over de veertigjarige tocht door de woestijn die het Joodse volk had gemaakt voordat ze met hulp van Jahwe Palestina veroverden. De jonge Goethe had namelijk berekend dat deze tocht nooit veertig jaar geduurd kon hebben, daarvoor waren de afstanden tussen de in de bijbel genoemde plaatsen te kort, en de woestijn veel te klein. Mijn orthodoxe collega verwierp deze berekening van Goethe met citaten uit dezelfde bijbel, en zei niets over de symbolische betekenis van het getal veertig, dat in de bijbel steeds wordt gebruikt als er lange tijd wordt gewacht, het staat voor een wachtperiode. Het leerde me weer iets over de invloed van het geloof op de menselijke gemoedstoestand. Deze kan zover gaan, dat alles wat zweemt naar strijdigheid met verhalen of verklaringen in het heilige boek per definitie wordt verworpen. Ook wordt men doof en blind voor interne tegenstrijdigheden die in dat boek zelf worden aangetroffen, deze worden niet als tegenstrijdigheden gezien, maar als elkaar aanvullende passages en het is aan de gestudeerde schrift-uitlegger om ze te doorgronden. Het lijkt in onze ogen wel of brandstapels, wetenschappelijke algemeen aanvaarde bevindingen enz. deze gelovigen niets hebben geleerd. Zelfs schijnt het zo te zijn dat een filossof als Spinoza niet op hjet Middelbaar Onderwijs wordt onderwezen omdat orthodox-christelijke scholen het niet eens zijn met diens uitleg van de bijbel, die hij beschouwt als een bundel dichterlijke en morele verhalen die vanuit de context van de tijd waarin ze zijn geschreven, gelezen moeten worden, maar die als geheel wel de kern van de waarheid, van het goddelijke, bevat. Zoals bekend, verwerpt Spinoza ook de idee van een persoonlijke God die zijn schepping heeft geschapen, controleert en bestuurt van buiten die schepping af. Toch gebiedt onze constitutie ons dat wij hen in deze opvattingen dienen te respecteren, en dat was ook de mening van Spinoza: laat ieder vrij te denken wat hij of zij wil in deze zaken.
Enkele jaren geleden bezochten een vriend en ik een klooster van de Benedictijnen in Zuid-Limburg. Hier ervoer ik iets totaal anders dan ik bij de weinige orthodox-christelijke mensen in mijn leven had ervaren. Het verschil was, dat ik me hier zeer op mijn gemak voelde en van tijd tot tijd ontroerd was over de gezangen die ik daar hoorde en de ervaringen die ik er opdeed. Bij de orthodoxe protestanten voelde ik alleen maar weerstand. De houding van de monniken straalde uit:”wat zou het”. Er was maar één ding dat belangrijk was en dat was liefde en toewijding, ons geschonken door Jezus Christus, tot uiting komend in het ritme van het etmaal en de werkzaamheden die in het klooster werden verricht. Niks nietswaardige mensen, niks geen kommervol tot stand komende interpretatie van bijbelverhalen, of over bijvoorbeeld de noodzaak van bekering na de doop, waar nog in 1944 de gereformeerden vrijgemaakt zich druk over maakten en waardoor families uit elkaar werden gescheurd, drama op drama.
Dit bezoek deed me terugverlangen naar de kerk van mijn jeugd, de RK kerk. Ik wilde die gemoedstoestand vasthouden en steeds opnieuw beleven. En inderdaad heb ik twee en een half jaar lang de heilige missen bezocht, maar het was anders dan ik had gehoopt. Ik werd overrompeld door de grote nadruk die de leiding van de parochie legde op het meeleven met elkaar door de gelovigen. Er waren clubs, cursussen, vrijwilligers voor dit en voor dat, koffiedrinken na de dienst, enzovoort., en ik ben alles behalve een verenigings- of clubmens. Ook de jeugd werd niet vergeten met projecten en uitzendingen naar ontwikkelingslanden. Ook was er de heilige communie waar ik officieel niet aan mocht deelnemen van de paus omdat ik gescheiden was en in zonde met een andere vrouw samenleefde, maar waarvan de pastoor zei dat hij het me niet zou weigeren. Maar toch. Tijdens de missen was er een koor dat mijn devotie verstoorde door vals en snerpend te zingen, dankzij de te hoog gegrepen liederen die door de dirigente werden uitgekozen, wat een verschil met de scholae cantorum die in Zuid Limburg de gelovigen tot vrome aandacht brachten. Tenslotte miste ik bij mezelf de echte devotie, de echte overgave aan Christus en de Christelijke heilsleer. Steeds was Christus de enige echte heilbrenger voor alle mensen, terwijl toch vele moslims, boeddhisten, ietsisten, atheïsten enzovoort zich zeer gelukkig voelen bij hun waarheden. Deze devotie wilde ik wel opbrengen, maar het bleef bij hevig pogen. Het ging me om de sfeer, het meditatieve, dat ik in het klooster was tegengekomen maar hier nauwelijks of eigenlijk helemaal niet terugzag. Er was bijna geen minuut stilte, alles werd opgevuld met liedjes die me niets zeiden ( behalve het Gregoriaans), gezamenlijke gebeden en woorden van de voorganger. Ik vond de missen eigenlijk veel te protestants geworden, zelfs werden liedjes gezongen uit protestante bundels. Geen wonder, ik was vijfendertig jaar lang buiten de kerk gebleven. In die tussentijd hebben TROS, Veronica en de democratisering van zangbeoefening ook in de kerk toegeslagen.
In deze periode had ik een grote belangstelling voor boeken over de vroege christenheid en over de evolutietheorie. Ook begon ik te lezen over het verschijnsel godsdienst zelf. Het was allemaal literatuur waarin op wetenschappelijke of populair-wetenschappelijke wijze vanaf een afstand werd gekeken naar de schepping of de natuur, naar het leven, de mens, en de godsdienst als maatschappelijk verschijnsel.
Dit nu deed me besluiten de RK kerk weer de rug toe te keren, omdat ik op een goede ochtend overtuigend zag aangetoond dat de evangeliën verzonnen verhalen waren, dat er zelfs geen Jezus Christus heeft bestaan in de tijd van Pontius Pilatus. Ja werd zeer aannemelijk gemaakt in een vuistdik onderzoek met een overvloed aan details, dat alle gebeurtenissen, gelijkenissen en uitspraken in de canonieke evangeliën, gebaseerd zijn op biografieën van schrik niet, Julius Caesar. Bij mijn weten is dit onderzoek nog niet weersproken door gezaghebbende historici. Dat theologen het daarentegen wel weerspreken ligt natuurlijk voor de hand. Ook las ik en moest ik op grond van steekhoudende argumenten aannemen, dat Paulus zijn brieven schreef niet na de evangeliën, maar voordat er ook maar één evangelie was geschreven, en dat hij het had over een veel te abstracte Christus, die mogelijk wel bestaan had, maar in de nevelen van de ongeschreven geschiedenis mogelijk 100 jaar eerder was verdwenen. Mogelijk is hij de rechtvaardige leraar waarvan sprake is in de Qumran-rollen (ook wel genoemd de Dode Zee-rollen). Deze abstracte Christus moest leven worden ingeblazen en tot dat doel werden de evangeliën geschreven, niet alleen de vier die wij kennenals kerkelijk goedgekeurd, maar vele evangeliën, waaronder ook gnostische. Op een of andere wijze werden hiertoe de bekende biografieën van Julius Caesar gebruikt en aangepast, althans zeker in de vier canonieke evangeliën, minder of helemaal niet in andere, meer gnostisch getinte evangeliën zoals het evangelie van Thomas, van Maria Magdalena of het evangelie van de Waarheid.
Hierdoor, en door mijn kennisname van de stand van de wetenschap inzake aard, omvang en geschiedenis van het universum en het ontstaan van het leven, dingen die wij nog lang niet kennen maar waarover in vele godsdienstige heilige boeken mooie sagen en legenden zijn geschreven, besloot ik pantheïst te worden in de zin van Spinoza, met hem verontwaardigd over de intolerante houding waarmee zij, die menen het ware geloof te bezitten andersdenkenden veroordelen.. Ik schreef de pastoor een brief met mijn bevindingen en ging niet meer naar de kerk. Daarna kreeg ik nog bezoek van de vrouwelijke pastor, die het nota bene met mij eens was, maar volhield dat geloven niet een kwestie is van verstand, maar van gevoel. Ik had ook nog gesprekken met enkele vrienden, die mij verzekerden dat er meer waarheden waren dan een, en dat ik heus wel naast een orthodoxe katholiek die ondermeer de maagdelijkheid van Maria voor onomstotelijke waarheid hield, de twaalf artikelen van het geloof kon staan liegen, samen met hem in een en dezelfde kerkruimte, terwijl hij ze niet loog maar voor waar hield. Helaas is deze houding voor mij nog niet mogelijk. Ook werd mij geadviseerd om de rituele handelingen en gebeden dan maar als symbolisch te zien, maar ik word dan meteen gekweld door de leer van de kerk, die zegt dat ze niet symbolisch zijn en dat alles echt en werkelijk is wat er gebeurt, gezegd en voorgelezen wordt.. Maar misschien kan men ook betogen, dat de werkelijkheid van een symbool een hogere werkelijkheid is of aanduidt dan de zintuigelijk waarneembare, historische of juridische waarheid, en dan de officiële leer van de kerk naast zich neerleggen, wetende dat je dan maar een minderheid binnen de kerk vertegenwoordigt en dat je niet in staat zult zijn om binnen de kerk je mening te uiten zonder meteen je plaats te worden gewezen.
Nu iets over onze zintuigen waarmee wij het goddelijke al dan niet kunnen waarnemen.
Wat zeggen mij deze zintuigen? Allereerst, dat ik alleen dat kan kennen, zien en voelen wat ik met mijn zintuigen waarneem. Deze zintuigen kunnen reacties oproepen in gevoel en lichaam zoals honger, nieuwsgierigheid, drang tot vervulling van biologische functies, vreugde, verdriet, kortom alles wat wij daadwerkelijk beleven. De Friese filosoof Hemsterhuis toont aan, dat er buiten wat wij zintuiglijk kunnen waarnemen, het materiële dus, er ook een immateriële werkelijkheid bestaat, maar dat doet hij niet op echt overtuigende wijze. Hoogstens toont hij aan dat er een immateriële werkelijkheid mogelijk is, en niet noodzakelijk er moet zijn. Ook latere wetenschappers van naam zoals Carl Jung gaan ervan uit dat er bijvoorbeeld zoiets als een ziel bestaat.
Wat zien we nu echter met godsdiensten? We zien om ons heen dat door ons gewaardeerde mensen zoals opvoeders, leraren en mensen uit de gemeenschap verhalen als leidraad nemen, die ons vertellen hoe we moeten leven, en dat de onzichtbare, immateriële wereld concreet wordt geduid met genade, bekering, paradijs, verzoening, zonde, heiligheid, enzovoort in de christelijke godsdiensten. In de Islam zien we ook een paradijs, een zeer aanwezige persoonlijke God Allah, dingen die halal zijn en dingen die haram zijn, een noodzakelijke bedevaart naar Mekka, engelen, martelaren, ramadan, enz. Doen we dat niet op die manier, en hechten we geen geloof aan die verhalen, dan betekent dat rampspoed, niet alleen voor ons, maar ook voor de mensen om ons heen. Deze verhalen hebben namelijk te maken met de diepste reden van bestaan, met onze bestaansgrond, en die is immaterieel, niet direct met de zintuigen waar te nemen. Maar die wel de wereld heeft doen ontstaan, en ons opdraagt hoe wij ons moeten verstaan met die wereld in ons denken, voelen en handelen.
In elk geval, godsdiensten bestaan niet uit analyses, zoals de pastor ook zei, maar uit min of meer symbolieke verhalen, die door de leidende elites in de godsdienst per definitie als waarheid worden geproclameerd en uitgeroepen, als werkelijke voorvallen,, geschiedenissen en verklaringen. De gelovigen worden geacht dank zij deze verhalen door te dringen tot het wezen van alles en op een of andere manier sterker en gelukkiger te worden, en hulp te ontvangen in dit benarde bestaan op aarde. Veel gelovige mensen passen ook het analyseren toe op deze verhalen, zoals bijvoorbeeld Calvijn zijn aanname van de predestinatie poneerde, beïnvloed door methoden die in de toenmalige wetenschap in opkomst waren - geen Middeleeuwer maakte van die predestinatie een probleem. Zij is een van de vele tegenstrijdigheden in het christelijk geloof die wij tegenkomen als we hun verhalen met de instrumenten van de logica of de natuurkunde te lijf gaan. Doordat echter Calvijn als een soort Mohammed wordt gezien door vele protestanten, heeft hij deze pseudo-analyses aan hun geloof toegevoegd, tot het ongeluk van zeer velen, zoals ook in andere godsdienstige richtingen mensen ongelukkig worden doordat hun leven hen in omstandigheden heeft gebracht die als zondig of afvallig worden aangemerkt door de officiële leer.
Ik heb inderdaad moeite met een God die ons wereld en leven laat zien als plan van hem en dat wij volgens Zijn plan moeten leven. Er is in mijn ogen geen plan, alles wat er is, is er zoals het is. Alles wat er is, is onderdeel van de Godheid en vertegenwoordigt de Godheid in al Zijn aspecten. Wat door Spinoza in koele redenering is ontdekt, dat wordt door de moderne natuurkunde empirisch bevestigd doordat zij steeds weer op niet te doorgronden verschijnselen stuit, die door geen rekenmethode of welk model dan ook te bevatten zijn. Dat stelt mij voor de opgave om de achterhaalde visie op een Godheid anders te herzien, niet als een model waarin een superwezen dat ooit alles heeft geschapen, aan de knoppen zit om zich alles te laten ontwikkelen zoals het zich ontwikkelt, terwijl wij stervelingen hem helpen om zijn doelen te bereiken, volgens instructies ons aangereikt in heilige boeken.
Het grootste deel van zich christelijk noemende mensen gaat echter nog steeds hiervan uit, en daarin verschilt m.i. het Christendom van de Islam. De Islam specificeert veel minder wat Allah precies “wil”, en draagt haar aanhangers op zich aan Zijn wil te onderwerpen, niet zozeer eraan mee te werken of Hem te helpen. Weliswaar is de Islam een missionerende godsdienst en streeft ze evenals het Christendom naar verbreiding van haar godsdienst over de hele wereld, en doet ze dat om Allah te dienen, maar veel minder vanuit de idee dat wij mensen zouden weten Wat God van ons wil, en/of dat Hij een plan met ons zou hebben, waarvan wij ook kennis hebben. Onderwerp u aan Allah en alles zal goed komen, zo is de boodschap. En als het niet goed komt, is ook dat Allah’s wil en hebben wij ons er aan te onderwerpen.
Het ziet ernaar uit dat wij de enige wezens zijn in het hele universum dat denkt en voelt zoals wij dat doen. Op het bekende microscopisch kleine, nietige stofje dat aarde heet, en dat elk moment vernietigd kan worden door een rondvliegend stuk steen uit de Oortwolk, een in onze ogen gigantische, maar op kosmologische schaal enorm klein wolkje van cirkelmatig rondvliegende rotsblokken tussen Mars en Jupiter. Hahaha, lijkt de de Godheid te lachen, en hij laat ons zien hoe volgens zijn plan zo’n rotsblok uiteengescheurd wordt in kleinere brokjes, die elk op de superplaneet Jupiter neerplonzen en daar gaten veroorzaken in de stroperige atmosfeer, die groter zijn dan de aarde. Zoiets is in de geschiedenis van de aarde al diverse keren op die aarde gebeurd, gelukkig maar waren de rotsblokken kleiner dan die enkele jaren geleden op Jupiter neerploften. Hahaha, lacht hij nogmaals, en laat ons de zonnevlammen zien die groter zijn dan enkele tientallen doorsneden van de aarde zelf. Let op mensjes, dat jullie je beschermende atmosfeertje niet beschadigen, want dit zonnetje zal jullie roosteren met zijn straaltjes. Let ook op dat jullie niet teveel aan de gang gaan met atoomsplitsing, kijk maar wat er in Japan gebeurt met een paar van jullie atoomfornuisjes.
De mens bestaat volgens de nieuwste inzichten reeds ongeveer 250.000 jaar. Toch is die periode maar een uiterst klein deel van de geschiedenis van het leven op aarde. Als we die geschiedenis voorstellen als een tijdbalk over twee gestrekte armen van een man die zijn armen gestrekt houdt, dan is die periode slechts het randje van de nagel van zijn vinger, dat hij van tijd tot tijd afknipt. Laten we het dan maar niet hebben over de geschiedenis van de aarde in zijn totaliteit, waarop het leven twee miljard jaar begon, en anderhalf miljard jaar voortsudderde in de vorm van bacterie-achtige wezentjes, opgevolgd door kleine schaaldiertjes, die het ook al heel lang uithielden. Tweehonderdvijftigduizend jaar. De stichters van de moderne godsdiensten kwamen lach niet vijftienhonderd tot drieduizend jaar geleden op de proppen. Heeft de de Godheid ons zo lang in onzekerheid gehouden? Volgens veel orthodoxe christenen is de wereld zoals wij die kennen, vierduizend jaar geleden geschapen, er zijn er zelfs die archeologische en natuurkundige vondsten en theorieën geheel in die zienswijze weten om te buigen, hun gehoor is enthousiast en wil van geen andere kijk op de wereld weten, en zeker ook niet van de evolutie-theorie, die in zijn moderne vorm met wiskundige zekerheid heeft aangetoond dat elke nieuwe soort gebaseerd is op toeval, en niet op een of ander plan van de Great Architect. Een toevallige mutatie, die juist in die natuurlijke omgeving meer geschikt bleek tot overleven en voortplanting dan andere, niet-gemuteerde soortgenoten. Toevallig, omdat juist zij geschikter bleek onder de veel grotere aantallen mutaties die tot ondergang waren gedoemd.
Blijft er dan slechts domme godloochening over? Nee, ik weet zeker van niet, ook Spinoza was geen domme godloochenaar zoals zijn tijdgenoten hem graag afschiderden.
Ooit heb ik een zelfvoldane kunstenaar horen zeggen: de mensen zien mijn werken niet, omdat ze overal zo overduidelijk aanwezig zijn. De de Godheid zou die kunstenaar kunnen zijn. Het is het wonder niet dat de de Godheid liefde zou zijn of de totale goedheid, immers een dergelijke opvatting kan alleen maar teleurstelling opwekken, maar het wonder is dat wij als mensjes hem mogen vertegenwoordigen, zelf weerspiegelend al wat we met onze zintuigen om ons heen zien. Een vis is een groter wonder dan de wonderbare visvermenigvuldiging. Het lot van de mens is net als bij de rest van de levende natuur zelfbehoud en streven naar welzijn, dat is wat we na moeten streven willen we onszelf behouden. Dat kan alleen door mededogen, meewerken aan het heil van onszelf en daardoor ook van de ander. Dat is precies wat ook Spinoza bedoelde: hij erkende ons streven naar wat wij “het goede” noemen, maar koppelde dat los van dogma’s en leerstellingen. De natuur in zichzelf is niet het goede, maar onze opdracht, zo we van een opdracht kunnen spreken, is het goede nastreven. In mijn ogen is dat een noodzakelijkheid die door een natuurwet aan ons is opgelegd anders sterven wij uit. God is volgens Spinoza gelijk aan de bestaansreden van de natuur, en ligt dus ook ten grondslag aan de evolutie, net zoals aan de zwaartekracht en het e=mc2 door Einstein ontdekt.
Mens als ik ben, blijf ik voorlopig geërgerd worden door orthodoxe vroomheid, misschien komt er een tijdstip waarop ik dat niet meer doe. Ik ben geen esoterist, geen kabbalist, niets van dat alles, ik ben een ietsist in de positieve betekenis van het woord, er is een iets dat wij niet kennen en niet kunnen kennen, we moeten het doen met de zintuigen en met het bewustzijn, dat meer esoterisch of religieus ingestelde mensen ziel noemen. Het bewustzijn of zo u wilt de ziel is de ontvanger van de berichten die de zintuigen aan mij toesturen, de zintuigen zijn stoffelijk-biologisch aanwijsbaar, terwijl velen menen dat het bewustzijn of de ziel dat niet is, hoewel ik er voorlopig van uitga dat ook de ziel in materie besloten ligt.. Of deze ziel na de dood blijft voortbestaan, met onze stoffelijke zintuigen nemen wij niets waar dat daar ook maar enigszins op wijst. Wat wel blijft voortbestaan, dat is bijna net zo zeker waarneembaar en voorspelbaar als de dood zelf, dat is het voortbestaan van datgene wat het voortbestaan van het universum en de natuurwetten garandeert. Dat bestaat voort, en dat ik geboren ben is eindig toeval. Ik heb twee broers die tweeling zijn, de een is ernstig verstandelijk gehandicapt en de ander een intelligente man vol talenten die hij goed gebruikt. Ik vroeg hem onlangs: heb je er nooit bij stilgestaan dat jij misschien je tweelingbroer bent, en dat hij eigenlijk jou is? Ik vond de vraag eigenlijk absurd en bijna ongepast, maar ja, daar had hij als kind van een jaar of tien vaak aan gedacht. Maar omdat ze tweelingen waren, ligt zo’n vraag meer voor de hand dan bv. bij mij en een vrouw in Tibet of Siberië. Lezer, zoals u daar zit, u had mij kunnen zijn, misschien bent u mij wel, en ik had u kunnen zijn, en misschien ben ik u wel. Als dat zo is, en waarom zou dat niet zo zijn, dan blijf ik na mijn dood in u voortleven, en sterft u als ik doodga, terwijl u denkt nog te leven.
Helaas grijpen mensen dikwijls godsdienstige motieven aan om elkaar te bestrijden en ongelukkig te maken. Want hoevelen menen niet dat zij hun eigen ik zijn, dat zij eigenstandige wezens zijn met een opgedragen edele en hoogverheven taak, namelijk het behoud of de verspreiding van wat in hun ogen waardevol is, maar wat in feite relatief is of zelfs ronduit schadelijk. Wanneer iets waardevol is dan zal het ook aangenomen worden en gezien worden door velen, met hun zintuigen, zoals Jezus zei: “aan de vruchten herkent men de boom”. Helaas gebruiken velen niet hun zintuigen, maar laten zij zich leiden door verhalen en heilige instructies. Zij juichen het ontstaan van een echte mensheid, de hele aarde omvattend, niet toe, maar bestrijden dat juist, in de blinde en dove mening hiermee de mensheid te redden.
Voordat ik hier iets over kan zeggen, moet ik eerst omschrijven wat ik versta onder “gemoedstoestand”. Want het beleven van godsdienst of religie is een gemoedstoestand, een toestand van het gemoed. Het gemoed is het emotionele deel van ons bewustzijn, en onder bewustzijn versta ik datgene wat vele anderen de “ziel” plegen te noemen, en daaronder iets diepers, iets spirituelers dan het bewustzijn verstaan. Velen van hen zijn overtuigd van het bestaan van niet zintuiglijk waarneembare werkelijkheden waarvan zij zelfs ontkennen dat deze niet zintuiglijk waarneembaar zouden zijn. Vooralsnog beperk ik mij tot het zintuigelijk waarneembare, dat door wetenschappers en juristen als zodanig wordt beschouwd.
Dit stuk is dus niet geschreven voor hen die veel waarde hechten aan sprituele werkelijkheden. Zoals iemand mij onlangs, toen ik dit stuk op een lezing voordroeg, meedeelde: “Ik kan hier niets mee”, want hij meende met alles in verbinding te staan en met alles te communiceren, daarom vond hij empirisch onderzoek nutteloos.
Het heeft tot mijn vijfenveertigste levensjaar geduurd, voordat ik mij realiseerde wat voor invloed een godsdienst kan hebben op de gemoedstoestand van een mens. Deze gemoedstoestanden staan bijvoorbeeld prachtig beschreven in het standaardwerk van William James: “The variety of religious experiences”. Echter, lang voordat ik dat boek had gelezen, ontmoette ik rond de tijd van mijn toetreden tot de orde mijn schoonfamilie en maakte ik kennis met de christelijk-orthodoxe manier van denken en voelen. Een manier van denken die wij als democratisch en loiberaal denkende mensen geacht worden te tolereren en te respecteren.
De mensheid wordt steeds meer één grote categorie, één grote groep. Dit gaat gepaard met conflicten en oorlogen, die bijna alle zijn terug te voeren op het willen vasthouden aan oude tradities, die immers door de nieuwe social media zoals pc, mobieltjes, internet, twitter, enz. worden aangetast. Ook de transportmiddelen bevorderen een grote uitwisseling van culturele waarden en tradities, door handelslieden en industriëlen, maar ook door massa’s die een beter bestaan zoeken in de rijkere delen van de wereld. De Nederlandse bevolking bijvoorbeeld is in enkele decennia aangevuld met de bevolking van een stad als Amsterdam aan immigranten, van wie velen met een culturele achtergrond waarin alle dagelijkse en bijzondere handelingen en gebeurtenissen in het leven worden uitgelegd als door God of Allah bestuurd en geregeld. De sociale controle en geestelijk leiders bewaken deze orde in de naam van Allah of God. Slechts langzaamaan en maar voor een deel passen deze waarden zich aan aan de veel meer op individuele vrijheid gerichte waarden van de westerse maatschappij.
Ik voerde ooit een gesprek met een orthodox-christelijke collega, over een berekening die de jonge Goethe had gemaakt over de veertigjarige tocht door de woestijn die het Joodse volk had gemaakt voordat ze met hulp van Jahwe Palestina veroverden. De jonge Goethe had namelijk berekend dat deze tocht nooit veertig jaar geduurd kon hebben, daarvoor waren de afstanden tussen de in de bijbel genoemde plaatsen te kort, en de woestijn veel te klein. Mijn orthodoxe collega verwierp deze berekening van Goethe met citaten uit dezelfde bijbel, en zei niets over de symbolische betekenis van het getal veertig, dat in de bijbel steeds wordt gebruikt als er lange tijd wordt gewacht, het staat voor een wachtperiode. Het leerde me weer iets over de invloed van het geloof op de menselijke gemoedstoestand. Deze kan zover gaan, dat alles wat zweemt naar strijdigheid met verhalen of verklaringen in het heilige boek per definitie wordt verworpen. Ook wordt men doof en blind voor interne tegenstrijdigheden die in dat boek zelf worden aangetroffen, deze worden niet als tegenstrijdigheden gezien, maar als elkaar aanvullende passages en het is aan de gestudeerde schrift-uitlegger om ze te doorgronden. Het lijkt in onze ogen wel of brandstapels, wetenschappelijke algemeen aanvaarde bevindingen enz. deze gelovigen niets hebben geleerd. Zelfs schijnt het zo te zijn dat een filossof als Spinoza niet op hjet Middelbaar Onderwijs wordt onderwezen omdat orthodox-christelijke scholen het niet eens zijn met diens uitleg van de bijbel, die hij beschouwt als een bundel dichterlijke en morele verhalen die vanuit de context van de tijd waarin ze zijn geschreven, gelezen moeten worden, maar die als geheel wel de kern van de waarheid, van het goddelijke, bevat. Zoals bekend, verwerpt Spinoza ook de idee van een persoonlijke God die zijn schepping heeft geschapen, controleert en bestuurt van buiten die schepping af. Toch gebiedt onze constitutie ons dat wij hen in deze opvattingen dienen te respecteren, en dat was ook de mening van Spinoza: laat ieder vrij te denken wat hij of zij wil in deze zaken.
Enkele jaren geleden bezochten een vriend en ik een klooster van de Benedictijnen in Zuid-Limburg. Hier ervoer ik iets totaal anders dan ik bij de weinige orthodox-christelijke mensen in mijn leven had ervaren. Het verschil was, dat ik me hier zeer op mijn gemak voelde en van tijd tot tijd ontroerd was over de gezangen die ik daar hoorde en de ervaringen die ik er opdeed. Bij de orthodoxe protestanten voelde ik alleen maar weerstand. De houding van de monniken straalde uit:”wat zou het”. Er was maar één ding dat belangrijk was en dat was liefde en toewijding, ons geschonken door Jezus Christus, tot uiting komend in het ritme van het etmaal en de werkzaamheden die in het klooster werden verricht. Niks nietswaardige mensen, niks geen kommervol tot stand komende interpretatie van bijbelverhalen, of over bijvoorbeeld de noodzaak van bekering na de doop, waar nog in 1944 de gereformeerden vrijgemaakt zich druk over maakten en waardoor families uit elkaar werden gescheurd, drama op drama.
Dit bezoek deed me terugverlangen naar de kerk van mijn jeugd, de RK kerk. Ik wilde die gemoedstoestand vasthouden en steeds opnieuw beleven. En inderdaad heb ik twee en een half jaar lang de heilige missen bezocht, maar het was anders dan ik had gehoopt. Ik werd overrompeld door de grote nadruk die de leiding van de parochie legde op het meeleven met elkaar door de gelovigen. Er waren clubs, cursussen, vrijwilligers voor dit en voor dat, koffiedrinken na de dienst, enzovoort., en ik ben alles behalve een verenigings- of clubmens. Ook de jeugd werd niet vergeten met projecten en uitzendingen naar ontwikkelingslanden. Ook was er de heilige communie waar ik officieel niet aan mocht deelnemen van de paus omdat ik gescheiden was en in zonde met een andere vrouw samenleefde, maar waarvan de pastoor zei dat hij het me niet zou weigeren. Maar toch. Tijdens de missen was er een koor dat mijn devotie verstoorde door vals en snerpend te zingen, dankzij de te hoog gegrepen liederen die door de dirigente werden uitgekozen, wat een verschil met de scholae cantorum die in Zuid Limburg de gelovigen tot vrome aandacht brachten. Tenslotte miste ik bij mezelf de echte devotie, de echte overgave aan Christus en de Christelijke heilsleer. Steeds was Christus de enige echte heilbrenger voor alle mensen, terwijl toch vele moslims, boeddhisten, ietsisten, atheïsten enzovoort zich zeer gelukkig voelen bij hun waarheden. Deze devotie wilde ik wel opbrengen, maar het bleef bij hevig pogen. Het ging me om de sfeer, het meditatieve, dat ik in het klooster was tegengekomen maar hier nauwelijks of eigenlijk helemaal niet terugzag. Er was bijna geen minuut stilte, alles werd opgevuld met liedjes die me niets zeiden ( behalve het Gregoriaans), gezamenlijke gebeden en woorden van de voorganger. Ik vond de missen eigenlijk veel te protestants geworden, zelfs werden liedjes gezongen uit protestante bundels. Geen wonder, ik was vijfendertig jaar lang buiten de kerk gebleven. In die tussentijd hebben TROS, Veronica en de democratisering van zangbeoefening ook in de kerk toegeslagen.
In deze periode had ik een grote belangstelling voor boeken over de vroege christenheid en over de evolutietheorie. Ook begon ik te lezen over het verschijnsel godsdienst zelf. Het was allemaal literatuur waarin op wetenschappelijke of populair-wetenschappelijke wijze vanaf een afstand werd gekeken naar de schepping of de natuur, naar het leven, de mens, en de godsdienst als maatschappelijk verschijnsel.
Dit nu deed me besluiten de RK kerk weer de rug toe te keren, omdat ik op een goede ochtend overtuigend zag aangetoond dat de evangeliën verzonnen verhalen waren, dat er zelfs geen Jezus Christus heeft bestaan in de tijd van Pontius Pilatus. Ja werd zeer aannemelijk gemaakt in een vuistdik onderzoek met een overvloed aan details, dat alle gebeurtenissen, gelijkenissen en uitspraken in de canonieke evangeliën, gebaseerd zijn op biografieën van schrik niet, Julius Caesar. Bij mijn weten is dit onderzoek nog niet weersproken door gezaghebbende historici. Dat theologen het daarentegen wel weerspreken ligt natuurlijk voor de hand. Ook las ik en moest ik op grond van steekhoudende argumenten aannemen, dat Paulus zijn brieven schreef niet na de evangeliën, maar voordat er ook maar één evangelie was geschreven, en dat hij het had over een veel te abstracte Christus, die mogelijk wel bestaan had, maar in de nevelen van de ongeschreven geschiedenis mogelijk 100 jaar eerder was verdwenen. Mogelijk is hij de rechtvaardige leraar waarvan sprake is in de Qumran-rollen (ook wel genoemd de Dode Zee-rollen). Deze abstracte Christus moest leven worden ingeblazen en tot dat doel werden de evangeliën geschreven, niet alleen de vier die wij kennenals kerkelijk goedgekeurd, maar vele evangeliën, waaronder ook gnostische. Op een of andere wijze werden hiertoe de bekende biografieën van Julius Caesar gebruikt en aangepast, althans zeker in de vier canonieke evangeliën, minder of helemaal niet in andere, meer gnostisch getinte evangeliën zoals het evangelie van Thomas, van Maria Magdalena of het evangelie van de Waarheid.
Hierdoor, en door mijn kennisname van de stand van de wetenschap inzake aard, omvang en geschiedenis van het universum en het ontstaan van het leven, dingen die wij nog lang niet kennen maar waarover in vele godsdienstige heilige boeken mooie sagen en legenden zijn geschreven, besloot ik pantheïst te worden in de zin van Spinoza, met hem verontwaardigd over de intolerante houding waarmee zij, die menen het ware geloof te bezitten andersdenkenden veroordelen.. Ik schreef de pastoor een brief met mijn bevindingen en ging niet meer naar de kerk. Daarna kreeg ik nog bezoek van de vrouwelijke pastor, die het nota bene met mij eens was, maar volhield dat geloven niet een kwestie is van verstand, maar van gevoel. Ik had ook nog gesprekken met enkele vrienden, die mij verzekerden dat er meer waarheden waren dan een, en dat ik heus wel naast een orthodoxe katholiek die ondermeer de maagdelijkheid van Maria voor onomstotelijke waarheid hield, de twaalf artikelen van het geloof kon staan liegen, samen met hem in een en dezelfde kerkruimte, terwijl hij ze niet loog maar voor waar hield. Helaas is deze houding voor mij nog niet mogelijk. Ook werd mij geadviseerd om de rituele handelingen en gebeden dan maar als symbolisch te zien, maar ik word dan meteen gekweld door de leer van de kerk, die zegt dat ze niet symbolisch zijn en dat alles echt en werkelijk is wat er gebeurt, gezegd en voorgelezen wordt.. Maar misschien kan men ook betogen, dat de werkelijkheid van een symbool een hogere werkelijkheid is of aanduidt dan de zintuigelijk waarneembare, historische of juridische waarheid, en dan de officiële leer van de kerk naast zich neerleggen, wetende dat je dan maar een minderheid binnen de kerk vertegenwoordigt en dat je niet in staat zult zijn om binnen de kerk je mening te uiten zonder meteen je plaats te worden gewezen.
Nu iets over onze zintuigen waarmee wij het goddelijke al dan niet kunnen waarnemen.
Wat zeggen mij deze zintuigen? Allereerst, dat ik alleen dat kan kennen, zien en voelen wat ik met mijn zintuigen waarneem. Deze zintuigen kunnen reacties oproepen in gevoel en lichaam zoals honger, nieuwsgierigheid, drang tot vervulling van biologische functies, vreugde, verdriet, kortom alles wat wij daadwerkelijk beleven. De Friese filosoof Hemsterhuis toont aan, dat er buiten wat wij zintuiglijk kunnen waarnemen, het materiële dus, er ook een immateriële werkelijkheid bestaat, maar dat doet hij niet op echt overtuigende wijze. Hoogstens toont hij aan dat er een immateriële werkelijkheid mogelijk is, en niet noodzakelijk er moet zijn. Ook latere wetenschappers van naam zoals Carl Jung gaan ervan uit dat er bijvoorbeeld zoiets als een ziel bestaat.
Wat zien we nu echter met godsdiensten? We zien om ons heen dat door ons gewaardeerde mensen zoals opvoeders, leraren en mensen uit de gemeenschap verhalen als leidraad nemen, die ons vertellen hoe we moeten leven, en dat de onzichtbare, immateriële wereld concreet wordt geduid met genade, bekering, paradijs, verzoening, zonde, heiligheid, enzovoort in de christelijke godsdiensten. In de Islam zien we ook een paradijs, een zeer aanwezige persoonlijke God Allah, dingen die halal zijn en dingen die haram zijn, een noodzakelijke bedevaart naar Mekka, engelen, martelaren, ramadan, enz. Doen we dat niet op die manier, en hechten we geen geloof aan die verhalen, dan betekent dat rampspoed, niet alleen voor ons, maar ook voor de mensen om ons heen. Deze verhalen hebben namelijk te maken met de diepste reden van bestaan, met onze bestaansgrond, en die is immaterieel, niet direct met de zintuigen waar te nemen. Maar die wel de wereld heeft doen ontstaan, en ons opdraagt hoe wij ons moeten verstaan met die wereld in ons denken, voelen en handelen.
In elk geval, godsdiensten bestaan niet uit analyses, zoals de pastor ook zei, maar uit min of meer symbolieke verhalen, die door de leidende elites in de godsdienst per definitie als waarheid worden geproclameerd en uitgeroepen, als werkelijke voorvallen,, geschiedenissen en verklaringen. De gelovigen worden geacht dank zij deze verhalen door te dringen tot het wezen van alles en op een of andere manier sterker en gelukkiger te worden, en hulp te ontvangen in dit benarde bestaan op aarde. Veel gelovige mensen passen ook het analyseren toe op deze verhalen, zoals bijvoorbeeld Calvijn zijn aanname van de predestinatie poneerde, beïnvloed door methoden die in de toenmalige wetenschap in opkomst waren - geen Middeleeuwer maakte van die predestinatie een probleem. Zij is een van de vele tegenstrijdigheden in het christelijk geloof die wij tegenkomen als we hun verhalen met de instrumenten van de logica of de natuurkunde te lijf gaan. Doordat echter Calvijn als een soort Mohammed wordt gezien door vele protestanten, heeft hij deze pseudo-analyses aan hun geloof toegevoegd, tot het ongeluk van zeer velen, zoals ook in andere godsdienstige richtingen mensen ongelukkig worden doordat hun leven hen in omstandigheden heeft gebracht die als zondig of afvallig worden aangemerkt door de officiële leer.
Ik heb inderdaad moeite met een God die ons wereld en leven laat zien als plan van hem en dat wij volgens Zijn plan moeten leven. Er is in mijn ogen geen plan, alles wat er is, is er zoals het is. Alles wat er is, is onderdeel van de Godheid en vertegenwoordigt de Godheid in al Zijn aspecten. Wat door Spinoza in koele redenering is ontdekt, dat wordt door de moderne natuurkunde empirisch bevestigd doordat zij steeds weer op niet te doorgronden verschijnselen stuit, die door geen rekenmethode of welk model dan ook te bevatten zijn. Dat stelt mij voor de opgave om de achterhaalde visie op een Godheid anders te herzien, niet als een model waarin een superwezen dat ooit alles heeft geschapen, aan de knoppen zit om zich alles te laten ontwikkelen zoals het zich ontwikkelt, terwijl wij stervelingen hem helpen om zijn doelen te bereiken, volgens instructies ons aangereikt in heilige boeken.
Het grootste deel van zich christelijk noemende mensen gaat echter nog steeds hiervan uit, en daarin verschilt m.i. het Christendom van de Islam. De Islam specificeert veel minder wat Allah precies “wil”, en draagt haar aanhangers op zich aan Zijn wil te onderwerpen, niet zozeer eraan mee te werken of Hem te helpen. Weliswaar is de Islam een missionerende godsdienst en streeft ze evenals het Christendom naar verbreiding van haar godsdienst over de hele wereld, en doet ze dat om Allah te dienen, maar veel minder vanuit de idee dat wij mensen zouden weten Wat God van ons wil, en/of dat Hij een plan met ons zou hebben, waarvan wij ook kennis hebben. Onderwerp u aan Allah en alles zal goed komen, zo is de boodschap. En als het niet goed komt, is ook dat Allah’s wil en hebben wij ons er aan te onderwerpen.
Het ziet ernaar uit dat wij de enige wezens zijn in het hele universum dat denkt en voelt zoals wij dat doen. Op het bekende microscopisch kleine, nietige stofje dat aarde heet, en dat elk moment vernietigd kan worden door een rondvliegend stuk steen uit de Oortwolk, een in onze ogen gigantische, maar op kosmologische schaal enorm klein wolkje van cirkelmatig rondvliegende rotsblokken tussen Mars en Jupiter. Hahaha, lijkt de de Godheid te lachen, en hij laat ons zien hoe volgens zijn plan zo’n rotsblok uiteengescheurd wordt in kleinere brokjes, die elk op de superplaneet Jupiter neerplonzen en daar gaten veroorzaken in de stroperige atmosfeer, die groter zijn dan de aarde. Zoiets is in de geschiedenis van de aarde al diverse keren op die aarde gebeurd, gelukkig maar waren de rotsblokken kleiner dan die enkele jaren geleden op Jupiter neerploften. Hahaha, lacht hij nogmaals, en laat ons de zonnevlammen zien die groter zijn dan enkele tientallen doorsneden van de aarde zelf. Let op mensjes, dat jullie je beschermende atmosfeertje niet beschadigen, want dit zonnetje zal jullie roosteren met zijn straaltjes. Let ook op dat jullie niet teveel aan de gang gaan met atoomsplitsing, kijk maar wat er in Japan gebeurt met een paar van jullie atoomfornuisjes.
De mens bestaat volgens de nieuwste inzichten reeds ongeveer 250.000 jaar. Toch is die periode maar een uiterst klein deel van de geschiedenis van het leven op aarde. Als we die geschiedenis voorstellen als een tijdbalk over twee gestrekte armen van een man die zijn armen gestrekt houdt, dan is die periode slechts het randje van de nagel van zijn vinger, dat hij van tijd tot tijd afknipt. Laten we het dan maar niet hebben over de geschiedenis van de aarde in zijn totaliteit, waarop het leven twee miljard jaar begon, en anderhalf miljard jaar voortsudderde in de vorm van bacterie-achtige wezentjes, opgevolgd door kleine schaaldiertjes, die het ook al heel lang uithielden. Tweehonderdvijftigduizend jaar. De stichters van de moderne godsdiensten kwamen lach niet vijftienhonderd tot drieduizend jaar geleden op de proppen. Heeft de de Godheid ons zo lang in onzekerheid gehouden? Volgens veel orthodoxe christenen is de wereld zoals wij die kennen, vierduizend jaar geleden geschapen, er zijn er zelfs die archeologische en natuurkundige vondsten en theorieën geheel in die zienswijze weten om te buigen, hun gehoor is enthousiast en wil van geen andere kijk op de wereld weten, en zeker ook niet van de evolutie-theorie, die in zijn moderne vorm met wiskundige zekerheid heeft aangetoond dat elke nieuwe soort gebaseerd is op toeval, en niet op een of ander plan van de Great Architect. Een toevallige mutatie, die juist in die natuurlijke omgeving meer geschikt bleek tot overleven en voortplanting dan andere, niet-gemuteerde soortgenoten. Toevallig, omdat juist zij geschikter bleek onder de veel grotere aantallen mutaties die tot ondergang waren gedoemd.
Blijft er dan slechts domme godloochening over? Nee, ik weet zeker van niet, ook Spinoza was geen domme godloochenaar zoals zijn tijdgenoten hem graag afschiderden.
Ooit heb ik een zelfvoldane kunstenaar horen zeggen: de mensen zien mijn werken niet, omdat ze overal zo overduidelijk aanwezig zijn. De de Godheid zou die kunstenaar kunnen zijn. Het is het wonder niet dat de de Godheid liefde zou zijn of de totale goedheid, immers een dergelijke opvatting kan alleen maar teleurstelling opwekken, maar het wonder is dat wij als mensjes hem mogen vertegenwoordigen, zelf weerspiegelend al wat we met onze zintuigen om ons heen zien. Een vis is een groter wonder dan de wonderbare visvermenigvuldiging. Het lot van de mens is net als bij de rest van de levende natuur zelfbehoud en streven naar welzijn, dat is wat we na moeten streven willen we onszelf behouden. Dat kan alleen door mededogen, meewerken aan het heil van onszelf en daardoor ook van de ander. Dat is precies wat ook Spinoza bedoelde: hij erkende ons streven naar wat wij “het goede” noemen, maar koppelde dat los van dogma’s en leerstellingen. De natuur in zichzelf is niet het goede, maar onze opdracht, zo we van een opdracht kunnen spreken, is het goede nastreven. In mijn ogen is dat een noodzakelijkheid die door een natuurwet aan ons is opgelegd anders sterven wij uit. God is volgens Spinoza gelijk aan de bestaansreden van de natuur, en ligt dus ook ten grondslag aan de evolutie, net zoals aan de zwaartekracht en het e=mc2 door Einstein ontdekt.
Mens als ik ben, blijf ik voorlopig geërgerd worden door orthodoxe vroomheid, misschien komt er een tijdstip waarop ik dat niet meer doe. Ik ben geen esoterist, geen kabbalist, niets van dat alles, ik ben een ietsist in de positieve betekenis van het woord, er is een iets dat wij niet kennen en niet kunnen kennen, we moeten het doen met de zintuigen en met het bewustzijn, dat meer esoterisch of religieus ingestelde mensen ziel noemen. Het bewustzijn of zo u wilt de ziel is de ontvanger van de berichten die de zintuigen aan mij toesturen, de zintuigen zijn stoffelijk-biologisch aanwijsbaar, terwijl velen menen dat het bewustzijn of de ziel dat niet is, hoewel ik er voorlopig van uitga dat ook de ziel in materie besloten ligt.. Of deze ziel na de dood blijft voortbestaan, met onze stoffelijke zintuigen nemen wij niets waar dat daar ook maar enigszins op wijst. Wat wel blijft voortbestaan, dat is bijna net zo zeker waarneembaar en voorspelbaar als de dood zelf, dat is het voortbestaan van datgene wat het voortbestaan van het universum en de natuurwetten garandeert. Dat bestaat voort, en dat ik geboren ben is eindig toeval. Ik heb twee broers die tweeling zijn, de een is ernstig verstandelijk gehandicapt en de ander een intelligente man vol talenten die hij goed gebruikt. Ik vroeg hem onlangs: heb je er nooit bij stilgestaan dat jij misschien je tweelingbroer bent, en dat hij eigenlijk jou is? Ik vond de vraag eigenlijk absurd en bijna ongepast, maar ja, daar had hij als kind van een jaar of tien vaak aan gedacht. Maar omdat ze tweelingen waren, ligt zo’n vraag meer voor de hand dan bv. bij mij en een vrouw in Tibet of Siberië. Lezer, zoals u daar zit, u had mij kunnen zijn, misschien bent u mij wel, en ik had u kunnen zijn, en misschien ben ik u wel. Als dat zo is, en waarom zou dat niet zo zijn, dan blijf ik na mijn dood in u voortleven, en sterft u als ik doodga, terwijl u denkt nog te leven.
Helaas grijpen mensen dikwijls godsdienstige motieven aan om elkaar te bestrijden en ongelukkig te maken. Want hoevelen menen niet dat zij hun eigen ik zijn, dat zij eigenstandige wezens zijn met een opgedragen edele en hoogverheven taak, namelijk het behoud of de verspreiding van wat in hun ogen waardevol is, maar wat in feite relatief is of zelfs ronduit schadelijk. Wanneer iets waardevol is dan zal het ook aangenomen worden en gezien worden door velen, met hun zintuigen, zoals Jezus zei: “aan de vruchten herkent men de boom”. Helaas gebruiken velen niet hun zintuigen, maar laten zij zich leiden door verhalen en heilige instructies. Zij juichen het ontstaan van een echte mensheid, de hele aarde omvattend, niet toe, maar bestrijden dat juist, in de blinde en dove mening hiermee de mensheid te redden.
Sunday, April 17, 2011
Intermezzo
Intermezzo Ik sta voor de etalage van een boekwinkel en zie diverse katholieke en christelijke titels. Hier hub ik dus afscheid van genomen. Bibliotheken vol boeken zijn er geschreven aangaande alle theologische onderwerpen die je maar kunt bedenken, het is een wereld van waarheidsvinding, ethiek, vroomheid en uitleggerij (eschatologie). Nadat ik na tien jaar het boek van Carotta had gelezen, stortte deze wereld compleet voor mij in. In die tien jaar bekeerde ik mij weer tot de RK kerk, en werd weer gelovig. Na drie jaar kerkgang en het ondanks inspanning niet kunnen vinden van religieuze inspiratie in de kerk, las ik opnieuw Carotta en nog enkele andere werken aangaande de eerste eeuw van het christendom. Daarnaast had ik ook Daniel Bennett gelezen over de evolutietheorie en geluisterd naar de hoorcolleges op CD van Herman Philipse over godsdienst-filosofie. Wanneer het evangelie gebaseerd is, geplagieerd op, de levensgeschiedenis van Julius Caesar, en wanneer zeer vele christenen geloven dat de gebeurtenissen die in het evangelie worden beschreven gebaseerd zijn op een kern van waarheid, en dan met name die welke genoemd worden in de twaalf artikelen van het geloof, is dat niet iets dat mij kan inspireren tot op het bot van mijn religieuze gevoelens. Anderen kunnen daar blijkbaar wel in meegaan, want mensen die ik hierover sprak reageerden met een “nou en” en bleven gewoon naar de kerk gaan. Weer anderen, uit de orthodoxe hoek, wilden er niet eens naar luisteren, en vonden elke vergelijking tussen hun Jezus en Julius Caesar een ongehoorde godslastering. Ik schaar mij achter Spinoza en Goethe enerzijds, en achter de evolutionisten zoals Bennett, anderzijds. Inmiddels heb ik ook afscheid genomen van de Vrijmetselarij. Hun beroep op de Opperbouwmeester des Heelals, hun oproep zich op te maken tot de bouw van leven en wereld, die deze Opperbouwmeester ons laat zien als een te voltooien bouwwerk, ook daarin kan ik mij niet vinden. Maar dat zou nog tot daaraan toe zijn, en ik respecteer hun streven dan ook, maar ik ben onmachtig om van harte mee te doen aan hun bijeenkomsten als een broeder onder hen, want ik voel me er een vreemde eend in de bijt. Dat ligt niet aan hen, maar aan mij, want mijn hele leven heb ik al moeite gehad bij te “gedragen” in drukke gezelschappen en echte vrienden heb ik nog nooit kunnen maken. Er blijft mij weinig “geestelijks” en/of “spiritueels” over, en ik kan me er dan ook niet meer mee bezighouden omdat het mijn belangstelling niet meer heeft. In de volgende hoofdstukken van deze blog zal ik proberen uit te leggen hoe dat komt.
Thursday, April 14, 2011
Evolutietheorie en godsdiensten
Charles Darwin en geleerden na hem, hebben de evolutietheorie ontwikkeld tot een theorie die alleen maar kan concluderen dat alle levensvormen zoals we die nu kennen, het gevolg zijn van reeksen toevalligheden. Toevallig ontstonden er individuele dieren, planten enz. die geschikter waren om te overleven in hun omgeving dan andere van dezelfde soort, waardoor die soort zich meer aan die omgeving ging aanpassen. Andere individuen lukte dat minder of niet, en stierven uit. Drie bedreigingen moeten alle individuele schepselen het hoofd bieden: de natuur, roofdieren en ziektekiemen (die dus eigenlijk ook roofdieren of parasieten zijn). Deze bedreigingen doen zich overal in allerlei vormen in meer of mindere mate voor, en alle aanpassingen moeten dus de soort bestand maken tegen, of profijt leren trekken van, levende wezens, microben en natuurlijke omstandigheden zoals bodemgesteldheid, temperatuur e.d. in de omgeving. De soorten die daarin slagen, overleven, de soorten en individuen die dat niet lukt, gaan te gronde.
We moeten volgens de evolutietheorie afleren om te denken in termen van doelgerichtheid, nuttigheid, planmatigheid enzovoort in de natuur. De natuur heeft geen doel dat wij als mensen kunnen waarnemen.. Een mooi voorbeeld daarvan zijn de tepels op de mannenborst. Die dienen geen enkele functie, hoe hard sommige onderzoekers er ook naar gezocht hebben. De verleiding om te denken in die termen is erg groot, mensen vinden het makkelijk om aan te nemen dat alles in de natuur een functie heeft, en als die niet meteen waarneembaar is, er dan ook naar te zoeken.
Natuurlijk heeft de evolutie van de soorten geleid tot een systeem waarin alles “een functie heeft”: vogels verzamelen takjes om een nest te bouwen, het hart is er om bloed rond te pompen, pijn heeft als functie ons te waarschuwen voor beschadiging van het lichaam, enzovoort. Het is moeilijk aan te nemen, dat al deze nuttige uitwerkingen het gevolg zijn van een miljarden jaren durend proces van vallen en opstaan. We kunnen ons immers ook geen voorstelling maken van hoe lang een miljard jaar duurt. Toch zijn er ook voorbeelden van zeer snelle evolutie, waarin we duidelijk kunnen zien hoe soort-aanpassing verloopt. Fruitvliegjes en bacteriën worden in laboratoria blootgesteld aan wisselende omstandigheden, waardoor dankzij de snelle voortplanting verandering in soort waargenomen kan worden. En denk ook aan de strijd tegen virussen en bacteriën, die maar enkele jaren nodig hebben om zich aan te passen aan onze bestrijdingsmiddelen en dan in een gemuteerde versie weer opduiken, soms gevaarlijker dan de vorige versie.
Enkele malen is geprobeerd om deze evolutietheorie ook toe te passen op de menselijke wereld, zoals de ontwikkeling van ideeën en door mensen bedachte systemen, zoals organisaties. De geschiedenis van de mens, de concurrentiestrijd tussen bedrijven en machtspolitieke gevechten en samenwerkingsvormen geven daartoe aanleiding. We zien dan, dat net als in de natuur, die ideeën en organisatie- en samenlevingsvormen overleven en succes hebben, die het beste aansluiten bij de omgeving van andere ideeën en andere samenlevings- en organisatievormen.. En tot onze verrassing merken we, dat zelfs wapengeweld en oorlogsoverwinningen niet in staat zijn om dat evolutieproces tegen te houden, op lange termijn wel te verstaan.
Een cruciale rol hierbij vervult de wetenschap, zoals we die nu kennen en zoals ze zich sinds de tijd van de Romeinen in het westen heeft ontwikkeld. De mens, die (zoveel als mogelijk is) afstand neemt van zichzelf, van de eigen vooringenomenheden en emoties, en zijn zintuigen gebruikt als waarnemingsinstrument, met wiskunde en waarschijnlijkheidsrekening als hulpmiddelen.
De wetenschap is op zichzelf ook een ideeën- en organisatiesysteem temidden van andere ideeënsystemen en organisatievormen., die zich bedreigd kunnen voelen, denk maar aan vorsten en religie. Vorsten en staten kunnen de wetenschap voor eigen doelen aanwenden, en dat zijn dikwijls niet de doelen die de eigen bevolking het meest dienen, maar de overleving en het succes van het vorstenhuis of de staatsvorm. Zo zijn bijvoorbeeld mensen in oosterse landen erg goed in mathematische wetenschappen, maar veel minder in psychologie en andere menswetenschappen: oosterse staten hebben meer belang bij de beta-wetenschappen dan bij de menswetenschappen. Zo zijn bijvoorbeeld mensen uit de meeste Afrikaanse landen erg goed in het leggen en onderhouden van contacten en relaties, en veel minder goed in het zich als individu handhaven in een anonieme stad, of het kiezen van de juiste man op de juiste plaats in een bedrijf. Dat laatste is slechts goed mogelijk in westerse landen, waar de ontwikkeling en maatschappelijke groei van de wetenschappen in het verleden heeft plaatsgevonden.
Laten we na deze korte inleiding de godsdiensten eens nader bekijken.
Godsdiensten zijn denksystemen die inspelen op de behoefte van de mens om zichzelf een beredeneerde plaats geven in de wereld om hem heen. Er zitten twee mentale eigenschappen in deze definitie (die eigenlijk geen complete definitie is) die strijdig zijn met elkaar: namelijk “beredeneerde” en “wereld om hem heen”. De wereld om je heen ervaar je niet als een computer of robot, maar als gevoelswereld. Je hebt een bepaald karakter, met dingen die je leuk, mooi, aantrekkelijk, of juist lelijk, afstotend en saai vindt. In ieder mens zijn deze verschillend, en kunnen in de loop van de tijd veranderen. De cultuur waarin je leeft en de opvoeding (of het gebrek daaraan) zijn van grote invloed op het leerproces waarin je dingen voelt zoals je ze voelt. Het eerstgenoemde element in de definitie, “beredeneerd” geeft aan dat je die gevoelens probeert te beredeneren. Want zonder die beredenering, of liever gezegd “zingeving” heb je het gevoel dat je niet meer weet waar je mee bezig bent, het is als het ware een soort automatisme. Je vindt jezelf prima, en geen doelloos dolend wezen in het leven van alledag. Alles moet een doel hebben, of een reden.
Dat doel en die reden biedt de godsdienst. De wereld is niet zoals zij is, maar gewild, door een hogere macht. Een hogere macht, want geen mens kan het laten stormen en geen mens kan een zee maken of bergen, of bomen laten groeien, enzovoort enzovoort. Wijzelf zijn het product van onze voorouders, en we weten dat die zichzelf ook niet hebben gemaakt. Noodlot of geluk dat ons overkomt, en waarvoor wijzelf geen vinger hebben uitgestoken om het te veroorzaken, moet ergens anders vandaan komen. We hoeven ons niet eens de vraag te stellen waarom de wereld is zoals ze is, we hoeven alleen maar aan te nemen dat alles een oorzaak heeft met een vooropgezet doel. Het nare is nu, dat we die oorzaken niet kunnen zien of vinden, de hogere machten laten zich niet zien. Het is dus wel duidelijk dat we ze maar beter te vriend kunnen houden, want dat ze machtig zijn is wel gebleken en blijkt elke dag opnieuw.
Dan staat er iemand op die op een of andere manier (meditatie, openbaring) contact heeft gehad met de hogere machten. Of wij menen aan sommigen onder ons te zien dat zij goed met de hogere machten kunnen opschieten. Want we zijn mensen, nietwaar, en mensen leggen er zich niet zomaar bij neer dat ze iets niet kunnen beïnvloeden. De hogere machten moet je te vriend houden en dat kan alleen door die dingen te doen die zij graag zien, en die dingen te laten die zij verafschuwen. Vaak zijn dat dingen die wij zelf ook wel minder graag zien zoals stelen, zomaar doden van bekenden en familieleden, liegen, bedriegen, overspel, mishandeling enzovoort. En wat wij ook graag zien is hulpvaardigheid, je aanpassen zoals je mening opschorten, vrijgevigheid, vriendelijkheid, gastvrijheid, je verantwoordelijkheid nemen voor je kinderen en ouders, en ook voor je verdere familie, trouw zijn, enzovoort. Een hogere macht die ons beveelt te stelen of te moorden, dat zou kunnen, want die dingen gebeuren gewoon ook, maar dat noemen we liever een kwade macht, die “bezworen” moet worden, d.w.z. wel te vriend houden, maar op zodanige manier dat hij onze deur voorbijgaat.
(wordt vervolgd)
Charles Darwin en geleerden na hem, hebben de evolutietheorie ontwikkeld tot een theorie die alleen maar kan concluderen dat alle levensvormen zoals we die nu kennen, het gevolg zijn van reeksen toevalligheden. Toevallig ontstonden er individuele dieren, planten enz. die geschikter waren om te overleven in hun omgeving dan andere van dezelfde soort, waardoor die soort zich meer aan die omgeving ging aanpassen. Andere individuen lukte dat minder of niet, en stierven uit. Drie bedreigingen moeten alle individuele schepselen het hoofd bieden: de natuur, roofdieren en ziektekiemen (die dus eigenlijk ook roofdieren of parasieten zijn). Deze bedreigingen doen zich overal in allerlei vormen in meer of mindere mate voor, en alle aanpassingen moeten dus de soort bestand maken tegen, of profijt leren trekken van, levende wezens, microben en natuurlijke omstandigheden zoals bodemgesteldheid, temperatuur e.d. in de omgeving. De soorten die daarin slagen, overleven, de soorten en individuen die dat niet lukt, gaan te gronde.
We moeten volgens de evolutietheorie afleren om te denken in termen van doelgerichtheid, nuttigheid, planmatigheid enzovoort in de natuur. De natuur heeft geen doel dat wij als mensen kunnen waarnemen.. Een mooi voorbeeld daarvan zijn de tepels op de mannenborst. Die dienen geen enkele functie, hoe hard sommige onderzoekers er ook naar gezocht hebben. De verleiding om te denken in die termen is erg groot, mensen vinden het makkelijk om aan te nemen dat alles in de natuur een functie heeft, en als die niet meteen waarneembaar is, er dan ook naar te zoeken.
Natuurlijk heeft de evolutie van de soorten geleid tot een systeem waarin alles “een functie heeft”: vogels verzamelen takjes om een nest te bouwen, het hart is er om bloed rond te pompen, pijn heeft als functie ons te waarschuwen voor beschadiging van het lichaam, enzovoort. Het is moeilijk aan te nemen, dat al deze nuttige uitwerkingen het gevolg zijn van een miljarden jaren durend proces van vallen en opstaan. We kunnen ons immers ook geen voorstelling maken van hoe lang een miljard jaar duurt. Toch zijn er ook voorbeelden van zeer snelle evolutie, waarin we duidelijk kunnen zien hoe soort-aanpassing verloopt. Fruitvliegjes en bacteriën worden in laboratoria blootgesteld aan wisselende omstandigheden, waardoor dankzij de snelle voortplanting verandering in soort waargenomen kan worden. En denk ook aan de strijd tegen virussen en bacteriën, die maar enkele jaren nodig hebben om zich aan te passen aan onze bestrijdingsmiddelen en dan in een gemuteerde versie weer opduiken, soms gevaarlijker dan de vorige versie.
Enkele malen is geprobeerd om deze evolutietheorie ook toe te passen op de menselijke wereld, zoals de ontwikkeling van ideeën en door mensen bedachte systemen, zoals organisaties. De geschiedenis van de mens, de concurrentiestrijd tussen bedrijven en machtspolitieke gevechten en samenwerkingsvormen geven daartoe aanleiding. We zien dan, dat net als in de natuur, die ideeën en organisatie- en samenlevingsvormen overleven en succes hebben, die het beste aansluiten bij de omgeving van andere ideeën en andere samenlevings- en organisatievormen.. En tot onze verrassing merken we, dat zelfs wapengeweld en oorlogsoverwinningen niet in staat zijn om dat evolutieproces tegen te houden, op lange termijn wel te verstaan.
Een cruciale rol hierbij vervult de wetenschap, zoals we die nu kennen en zoals ze zich sinds de tijd van de Romeinen in het westen heeft ontwikkeld. De mens, die (zoveel als mogelijk is) afstand neemt van zichzelf, van de eigen vooringenomenheden en emoties, en zijn zintuigen gebruikt als waarnemingsinstrument, met wiskunde en waarschijnlijkheidsrekening als hulpmiddelen.
De wetenschap is op zichzelf ook een ideeën- en organisatiesysteem temidden van andere ideeënsystemen en organisatievormen., die zich bedreigd kunnen voelen, denk maar aan vorsten en religie. Vorsten en staten kunnen de wetenschap voor eigen doelen aanwenden, en dat zijn dikwijls niet de doelen die de eigen bevolking het meest dienen, maar de overleving en het succes van het vorstenhuis of de staatsvorm. Zo zijn bijvoorbeeld mensen in oosterse landen erg goed in mathematische wetenschappen, maar veel minder in psychologie en andere menswetenschappen: oosterse staten hebben meer belang bij de beta-wetenschappen dan bij de menswetenschappen. Zo zijn bijvoorbeeld mensen uit de meeste Afrikaanse landen erg goed in het leggen en onderhouden van contacten en relaties, en veel minder goed in het zich als individu handhaven in een anonieme stad, of het kiezen van de juiste man op de juiste plaats in een bedrijf. Dat laatste is slechts goed mogelijk in westerse landen, waar de ontwikkeling en maatschappelijke groei van de wetenschappen in het verleden heeft plaatsgevonden.
Laten we na deze korte inleiding de godsdiensten eens nader bekijken.
Godsdiensten zijn denksystemen die inspelen op de behoefte van de mens om zichzelf een beredeneerde plaats geven in de wereld om hem heen. Er zitten twee mentale eigenschappen in deze definitie (die eigenlijk geen complete definitie is) die strijdig zijn met elkaar: namelijk “beredeneerde” en “wereld om hem heen”. De wereld om je heen ervaar je niet als een computer of robot, maar als gevoelswereld. Je hebt een bepaald karakter, met dingen die je leuk, mooi, aantrekkelijk, of juist lelijk, afstotend en saai vindt. In ieder mens zijn deze verschillend, en kunnen in de loop van de tijd veranderen. De cultuur waarin je leeft en de opvoeding (of het gebrek daaraan) zijn van grote invloed op het leerproces waarin je dingen voelt zoals je ze voelt. Het eerstgenoemde element in de definitie, “beredeneerd” geeft aan dat je die gevoelens probeert te beredeneren. Want zonder die beredenering, of liever gezegd “zingeving” heb je het gevoel dat je niet meer weet waar je mee bezig bent, het is als het ware een soort automatisme. Je vindt jezelf prima, en geen doelloos dolend wezen in het leven van alledag. Alles moet een doel hebben, of een reden.
Dat doel en die reden biedt de godsdienst. De wereld is niet zoals zij is, maar gewild, door een hogere macht. Een hogere macht, want geen mens kan het laten stormen en geen mens kan een zee maken of bergen, of bomen laten groeien, enzovoort enzovoort. Wijzelf zijn het product van onze voorouders, en we weten dat die zichzelf ook niet hebben gemaakt. Noodlot of geluk dat ons overkomt, en waarvoor wijzelf geen vinger hebben uitgestoken om het te veroorzaken, moet ergens anders vandaan komen. We hoeven ons niet eens de vraag te stellen waarom de wereld is zoals ze is, we hoeven alleen maar aan te nemen dat alles een oorzaak heeft met een vooropgezet doel. Het nare is nu, dat we die oorzaken niet kunnen zien of vinden, de hogere machten laten zich niet zien. Het is dus wel duidelijk dat we ze maar beter te vriend kunnen houden, want dat ze machtig zijn is wel gebleken en blijkt elke dag opnieuw.
Dan staat er iemand op die op een of andere manier (meditatie, openbaring) contact heeft gehad met de hogere machten. Of wij menen aan sommigen onder ons te zien dat zij goed met de hogere machten kunnen opschieten. Want we zijn mensen, nietwaar, en mensen leggen er zich niet zomaar bij neer dat ze iets niet kunnen beïnvloeden. De hogere machten moet je te vriend houden en dat kan alleen door die dingen te doen die zij graag zien, en die dingen te laten die zij verafschuwen. Vaak zijn dat dingen die wij zelf ook wel minder graag zien zoals stelen, zomaar doden van bekenden en familieleden, liegen, bedriegen, overspel, mishandeling enzovoort. En wat wij ook graag zien is hulpvaardigheid, je aanpassen zoals je mening opschorten, vrijgevigheid, vriendelijkheid, gastvrijheid, je verantwoordelijkheid nemen voor je kinderen en ouders, en ook voor je verdere familie, trouw zijn, enzovoort. Een hogere macht die ons beveelt te stelen of te moorden, dat zou kunnen, want die dingen gebeuren gewoon ook, maar dat noemen we liever een kwade macht, die “bezworen” moet worden, d.w.z. wel te vriend houden, maar op zodanige manier dat hij onze deur voorbijgaat.
(wordt vervolgd)
Wednesday, January 12, 2011
Religion and worshipping I
In some languages (e.g. Dutch) there are two different words for “religion”: religion (Dutch: “religie”) as an internationally recognised word, and “worshipping God” (Dutch: godsdienst). In this contribution to my blog I want to elaborate this difference, thus making clear the significance of religion for people as human beings. We will discover that religion is a deep-rooted psychological need of most normal humans (I exclude mentally damaged people, and also extremely “religious” people) First of all, what does religion really mean?
According to Christian churches (I heard it many times) “religion” is derived from the Latin word “religare” which would mean: “restoring the connection” (“ligare” means “binding”, and “re-” is a suffix that means a repeat). This would be the connection between God and men, which has been broken by sin and evil. But I looked it up in my Latin dictionary and found that “religio” originally means “serious concern, serious objection”. Only later it got the meaning of religion which it has in English, namely “a more or less coherent set of ideas, symbols and stories intended to give meaning to the existence of mankind in his social and natural world, and which is sustained by a more or less official set of rituals, rules and norms of behaviour reinforced by officials appointed by the adherents of one particular set of ideas, symbols and stories, and/or by their representatives (priests, vicars, imams, etc.) or education role tenants (parents, teachers)”. (definition by me).
The abovementioned meaning which Christian interpreters attach to the word “religion” is coloured by Christian religion itself, which pre-supposes a separation between an almighty and all-good God and men, a separation that can be restored by practicing faith in an honest and integer way. Christians, Muslims and Jews (Jews to a far less extent) see their religions as the only way to completely fulfil the human need to give meaning to their existence in this world.They see religion as “worshipping God” (godsdienst). If you don’t worship God you are a heathen, a “non-believer”, an “atheist”. Muslims and Christians have got a divine assignment to strive for the convertion of these non-believers, or at least let them know that they don’t belong to the “right” group, which is the group of believers they themselves belong to, by hindering their “wrong” rituals, symbols and ceremonies, by discriminating them in social en economic life etc. Examples: forbidding women to wear Muslim clothing in Western countries, official and open discrimination of non-Muslims in most Muslim countries. Looking back into history, and a few Muslim countries today, one sees even punishment to death of behaviour which is considered as offensive to the officially recognised worship or rules.
To be religious, in my view, it isn’t needed to belong to such a religious worshipping group, which call themselves “church”, “brotherhood” etc. I experienced this when I, as a Roman Catholic, repeatedly had to cite the “Twelve Articles of Faith” during the Holy Mass. I noticed that most of these articles I didn’t believe in, and yet I continued being moved by religious feelings during the Mass. I knew that these articles had been written down and issued like a kind of law, during the reign period of the first Christian emperor Constantine. I also noticed that I had a strong conviction that the examples (not the miracles but the teachings and actings) of Jesus Christ, as described in the Gospels, were the most important and perfect description of how a human had to live. Not in order to gain eternal life in heaven (I don’t believe in life after death), but to acquire a less imperfect world than we had up to now.
On top of that, I felt I had read more books and articles about early Christianity than my fellow-worshippers gathered in the Holy Mass, maybe except for the celebrating priest. Gradually I got convinced that the gospels were “only” myths and that nothing told to us in the Gospels, was real history. Even the historical existence of Jesus is severely doubtful. Nowhere in what historical document whatsoever, his important and world-shaking deeds, wonders or preachings, nor his death at the cross, are reported. Only the “Christians” are mentioned, and in two places (Tacitus, Flavius Josephus) something of the stories they believe in. There are scholars who are almost 100% sure, based on meticulous study and research, that “Christ” (the Christ Paul is preaching) was a mythical figure, seated in heaven and as a martyr punished to death, who had to be brought to life as a human person, preaching to real humans, in order to spread Christianity as a worshipping church over the world, and this was accomplished in the gospels. There were many, many gospels, an only four of them have been selected as the official gospels at a meeting of Christian bishops, centuries after Christ would have lived. Also the gospels themselves have been written decades after life and death of Jesus. The letters of Paul, included in the Christian Bible, have been written long before any gospel had been written, which explains that Paul nowhere refers to wonders or events in the gospels, except to what it’s all about, namely his death as a divine martyr, and his presence in heaven from where he will return to judge the living and the death.
Johann Wolfgang von Goethe states in his “Dichtung und Wahrheit” (Poetical fabrication and Truth), that a beginning religion is a wonderful phenomenon. He takes the religion of Zoroaster, practiced in Persia, as an example. The misery, he says, starts when “official” religious leaders take over the power in determining what behaviour is according to the rules, and what behaviour isn’t. They state the laws and rules of the details of ceremonies, rites etc., in modern words: the religion becomes an official worshipping group, with rules and regulations. Zoroaster was a very poetical founder of his religion, and we may doubt if he himself wanted such an organisation as Goethe saw. Goethe found the core of the matter, namely worshipping light and purity, and the existence of two equal and counterbalancing forces in nature namely Good and Evil, especially valuable, but why this circus of detailed and obliged rites and ceremonies? I think Goethe hit the core of the matter. The rules and ceremonies, one and only prescribed interpretation of a Holy Book, the power exerted by many priests, imams, shamans, bishops, ayatollahs, muftis etc. lead only to drifting away from the core of the matter. Did Jesus order the building of enormous church in Rome in all its pump and circumstance? Yes, did Jesus even order his followers to constantly praise and glorify God whom he called his father? He only taught to us one simple prayer.
I will continue next time, otherwise this blog item will be too long.
According to Christian churches (I heard it many times) “religion” is derived from the Latin word “religare” which would mean: “restoring the connection” (“ligare” means “binding”, and “re-” is a suffix that means a repeat). This would be the connection between God and men, which has been broken by sin and evil. But I looked it up in my Latin dictionary and found that “religio” originally means “serious concern, serious objection”. Only later it got the meaning of religion which it has in English, namely “a more or less coherent set of ideas, symbols and stories intended to give meaning to the existence of mankind in his social and natural world, and which is sustained by a more or less official set of rituals, rules and norms of behaviour reinforced by officials appointed by the adherents of one particular set of ideas, symbols and stories, and/or by their representatives (priests, vicars, imams, etc.) or education role tenants (parents, teachers)”. (definition by me).
The abovementioned meaning which Christian interpreters attach to the word “religion” is coloured by Christian religion itself, which pre-supposes a separation between an almighty and all-good God and men, a separation that can be restored by practicing faith in an honest and integer way. Christians, Muslims and Jews (Jews to a far less extent) see their religions as the only way to completely fulfil the human need to give meaning to their existence in this world.They see religion as “worshipping God” (godsdienst). If you don’t worship God you are a heathen, a “non-believer”, an “atheist”. Muslims and Christians have got a divine assignment to strive for the convertion of these non-believers, or at least let them know that they don’t belong to the “right” group, which is the group of believers they themselves belong to, by hindering their “wrong” rituals, symbols and ceremonies, by discriminating them in social en economic life etc. Examples: forbidding women to wear Muslim clothing in Western countries, official and open discrimination of non-Muslims in most Muslim countries. Looking back into history, and a few Muslim countries today, one sees even punishment to death of behaviour which is considered as offensive to the officially recognised worship or rules.
To be religious, in my view, it isn’t needed to belong to such a religious worshipping group, which call themselves “church”, “brotherhood” etc. I experienced this when I, as a Roman Catholic, repeatedly had to cite the “Twelve Articles of Faith” during the Holy Mass. I noticed that most of these articles I didn’t believe in, and yet I continued being moved by religious feelings during the Mass. I knew that these articles had been written down and issued like a kind of law, during the reign period of the first Christian emperor Constantine. I also noticed that I had a strong conviction that the examples (not the miracles but the teachings and actings) of Jesus Christ, as described in the Gospels, were the most important and perfect description of how a human had to live. Not in order to gain eternal life in heaven (I don’t believe in life after death), but to acquire a less imperfect world than we had up to now.
On top of that, I felt I had read more books and articles about early Christianity than my fellow-worshippers gathered in the Holy Mass, maybe except for the celebrating priest. Gradually I got convinced that the gospels were “only” myths and that nothing told to us in the Gospels, was real history. Even the historical existence of Jesus is severely doubtful. Nowhere in what historical document whatsoever, his important and world-shaking deeds, wonders or preachings, nor his death at the cross, are reported. Only the “Christians” are mentioned, and in two places (Tacitus, Flavius Josephus) something of the stories they believe in. There are scholars who are almost 100% sure, based on meticulous study and research, that “Christ” (the Christ Paul is preaching) was a mythical figure, seated in heaven and as a martyr punished to death, who had to be brought to life as a human person, preaching to real humans, in order to spread Christianity as a worshipping church over the world, and this was accomplished in the gospels. There were many, many gospels, an only four of them have been selected as the official gospels at a meeting of Christian bishops, centuries after Christ would have lived. Also the gospels themselves have been written decades after life and death of Jesus. The letters of Paul, included in the Christian Bible, have been written long before any gospel had been written, which explains that Paul nowhere refers to wonders or events in the gospels, except to what it’s all about, namely his death as a divine martyr, and his presence in heaven from where he will return to judge the living and the death.
Johann Wolfgang von Goethe states in his “Dichtung und Wahrheit” (Poetical fabrication and Truth), that a beginning religion is a wonderful phenomenon. He takes the religion of Zoroaster, practiced in Persia, as an example. The misery, he says, starts when “official” religious leaders take over the power in determining what behaviour is according to the rules, and what behaviour isn’t. They state the laws and rules of the details of ceremonies, rites etc., in modern words: the religion becomes an official worshipping group, with rules and regulations. Zoroaster was a very poetical founder of his religion, and we may doubt if he himself wanted such an organisation as Goethe saw. Goethe found the core of the matter, namely worshipping light and purity, and the existence of two equal and counterbalancing forces in nature namely Good and Evil, especially valuable, but why this circus of detailed and obliged rites and ceremonies? I think Goethe hit the core of the matter. The rules and ceremonies, one and only prescribed interpretation of a Holy Book, the power exerted by many priests, imams, shamans, bishops, ayatollahs, muftis etc. lead only to drifting away from the core of the matter. Did Jesus order the building of enormous church in Rome in all its pump and circumstance? Yes, did Jesus even order his followers to constantly praise and glorify God whom he called his father? He only taught to us one simple prayer.
I will continue next time, otherwise this blog item will be too long.
Thursday, September 09, 2010
Halal hamburgers en onderwijs
In de Bijbel en Koran zijn eetvoorschriften te vinden. Net als veel andere voorschriften, zoals besnijdenis, het nemen van een rustdag, het in acht nemen van een seksuele discipline en dergelijke, waren deze vele eeuwen geleden nuttig (wat o.a. seksuele discipline betreft nog steeds), maar nu niet meer. Vooral hygiëne en gezondheid in een warm woestijnklimaat met vijandige stammen om je heen, waren met deze voorschriften gediend. Veel eetvoorschriften betreffen het eten van vlees. Vlees eten was destijds een feestelijke gebeurtenis, en werd ervaren als een luxe. Voor belangrijke gasten werd speciaal een geit of zelfs een rund geslacht. Nooit een varken, dat is smerig en wordt zowel in de Koran als de Bijbel verboden, hoewel veel christenen wel varkensvlees eten.
Talloze argumenten kunnen worden aangevoerd om te betogen dat deze voorschriften nu niet meer gelden als middel die de gezondheid bevorderen. Wat nu geldt is overdaad. Als er nu een godsdienstig openbaringsboek met eetvoorschriften zou worden geschreven, zouden dat waarschijnlijk geboden tot matigheid zijn. Tenminste, als het in een Westers land zou worden geschreven. In de tijd van waarin Bijbel en Koran werden geschreven, bestond er voor degenen voor wie het boek bestemd was, slechts één cultuur en dat was de eigen cultuur, die zich afspeelde in woestijn-achtig gebied waar stammen elkaar bevochten en waar het continu onveilig was. Er was een grote bewondering voor kostbaarheden zoals goud, zeldzame houtsoorten, en het Paradijs was letterlijk een lusthof met genoeg water, een rijke plantengroei en zonder gevaren of ontberingen, precies het tegenovergestelde van een woestijn.
Toch worden deze voorschriften door orthodoxe gelovigen nog steeds streng nageleefd. Wie aangaande het nut van eetvoorschriften wil discussiëren met bijvoorbeeld een orthodoxe moslim, krijgt een verhandeling over de eeuwigheidswaarde daarvan en met graagte worden moderne onderzoekingen aangehaald die de schadelijkheid van varkensvlees aantonen (bv. http://www.overislam.nl/va/11VARKENSVLEES%20VERBODEN.html ). Tussen haakjes: deze verhandelingen laten ook weer zien dat orthodoxe gelovigen niet in staat of bereid zijn om de boodschappen in hun Heilig Boek allegorisch op te vatten, ze hebben eeuwige geldigheid, en de gebeurtenissen en uitspraken moeten letterlijk worden genomen. Dikwijls botst dat met moderne opvattingen die in onze westerse rechts- en staatsbestellen zijn opgenomen. (bv. het fokken van varkens voor consumptie is in de westerse wereld niet verboden, en je mag je buurman er niet op aankijken dat hij varkensvlees eet). De Westerse gelovige lost dit op door in zijn/haar denk- en gevoelsleven geloof en staatsbestel te integreren als “een van God gegeven situatie” waarin hij/zij is geplaatst en met in achtneming van Zijn geboden een plaats moet vinden. De orthodoxe moslim zal veeleer geneigd zijn tot het tonen van openlijke afkeuring en het met hart en ziel ondersteunen van overheidsregels die de Koran-voorschriften naleven, zoals religieuze politie, het voorschrijven van kleding die je in het openbaar wel of niet mag/moet dragen, verbod op de verkoop van alcohol, enz.
Dit verschil, dat ik in mijn vorige bijdrage heb benadrukt, zorgt mede voor de grote spanningen tussen islamitische en westerse manieren van denken ten aanzien van mondiale machtsvraagstukken, maar ook ten aanzien van het leven van de gewone mensen in de woonbuurten van steden. Veel moslims kunnen niet leven met wat zij zien als de bandeloze vrijheden in het westen, gesteund door regeringsverkiezingen, en veel westerlingen kunnen niet leven met wat zij voelen als onaanvaardbare dwang van individuele keuzen, opgelegd door potentaten die zonder verkiezingen of met schertsverkiezingen in het zadel worden gehouden.
Een prachtig voorbeeld dat het bovenstaande illustreert, kwam ik tegen in Trouw. In Frankrijk is er een populaire fastfoodketen genaamd Quick (de naam zegt het al) die zogenaamde “halalburgers” is gaan verkopen. Dat wil zeggen hamburgers gemaakt van runderen die halal zijn geslacht, dat wil zeggen middels het doorsnijden van de keel. In een woestijnklimaat is het zeer schadelijk voor de gezondheid om een dier eerst te doden, dan het risico te lopen om het slachten uit te stellen (de vijand komt er aan, of een stofstorm, nu even geen tijd) en zodoende het vlees snel te laten bederven. Dus stond in de religieuze wetten (lees: samenlevingswetten, staatswetten) dat de slacht onmiddellijk op het doden van het dier diende te gebeuren. Wat zie je nu in Frankrijk gebeuren in 2010? Veel moslims bezoeken daar geen hamburgertenten, maar zouden dat wel doen als ze wisten dat het vlees daar halal zou zijn. De klant is koning, dus Quick bouwt een groot aantal aparte halal-tenten. De regeringspartij UMP is daar “zeer verontrust” over, want zij ziet dit als een schending van de scheiding tussen geloof en staat, en Quick is een particuliere onderneming. Een Nederlander zou zich afvragen waarom, want je hebt toch de vrije keus om al of niet een halal-zaak te bezoeken? Bovendien, zou de nuchtere atheïst zeggen, smaak en kwaliteit van het vlees worden niet beïnvloed door de wijze waarop het dier is gedood, dus geef mij ook maar halal als dat het enige is wat je in huis hebt, als ik met vakantie naar Tunesië of Marokko ga eet ik het ook..
Het probleem van de scheiding tussen geloof en staat is voor UMP echter, dat de staat groot-aandeelhouder is van Quick, en Quick bij moskeeën Islamitische keurmeesters moet inhuren om een halal-certificaat voor een geslacht dier te verkrijgen. Zodoende worden geloof en staat op voor UMP onaanvaardbare wijze verstrengeld. (Dat de Islamitische consumentenbond Quick afraadt voor moslims omdat er niet genoeg keurmeesters beschikbaar zijn om al de halal-hamburgers te garanderen als echt halal, is vers twee).
Voor een Nederlander is dit muggenzifterij, want in Nederland zorgt de staat ervoor dat er scholen op godsdienstige basis wijd en zijd door het hele land kunnen functioneren, dat is nog eens wat anders dan hamburgers. De staat als groot-aandeelhouder in het op godsdienst gebaseerde onderwijs. Maar deze drastische ingreep in het staatsbestel zorgt er wel voor, dat de christelijke staatsburger minder moeite heeft met het individueel integreren van zijn loyaliteit aan zowel de staat, als aan zijn geloof. Hoe lang nog, met de voortschrijdende ontkerkelijking in zicht en het sluiten van de ene islamitische school na de andere wegens het niet voldoen aan de eisen van de staat, die ook gelden voor op godsdienst gebaseerde scholen?
Talloze argumenten kunnen worden aangevoerd om te betogen dat deze voorschriften nu niet meer gelden als middel die de gezondheid bevorderen. Wat nu geldt is overdaad. Als er nu een godsdienstig openbaringsboek met eetvoorschriften zou worden geschreven, zouden dat waarschijnlijk geboden tot matigheid zijn. Tenminste, als het in een Westers land zou worden geschreven. In de tijd van waarin Bijbel en Koran werden geschreven, bestond er voor degenen voor wie het boek bestemd was, slechts één cultuur en dat was de eigen cultuur, die zich afspeelde in woestijn-achtig gebied waar stammen elkaar bevochten en waar het continu onveilig was. Er was een grote bewondering voor kostbaarheden zoals goud, zeldzame houtsoorten, en het Paradijs was letterlijk een lusthof met genoeg water, een rijke plantengroei en zonder gevaren of ontberingen, precies het tegenovergestelde van een woestijn.
Toch worden deze voorschriften door orthodoxe gelovigen nog steeds streng nageleefd. Wie aangaande het nut van eetvoorschriften wil discussiëren met bijvoorbeeld een orthodoxe moslim, krijgt een verhandeling over de eeuwigheidswaarde daarvan en met graagte worden moderne onderzoekingen aangehaald die de schadelijkheid van varkensvlees aantonen (bv. http://www.overislam.nl/va/11VARKENSVLEES%20VERBODEN.html ). Tussen haakjes: deze verhandelingen laten ook weer zien dat orthodoxe gelovigen niet in staat of bereid zijn om de boodschappen in hun Heilig Boek allegorisch op te vatten, ze hebben eeuwige geldigheid, en de gebeurtenissen en uitspraken moeten letterlijk worden genomen. Dikwijls botst dat met moderne opvattingen die in onze westerse rechts- en staatsbestellen zijn opgenomen. (bv. het fokken van varkens voor consumptie is in de westerse wereld niet verboden, en je mag je buurman er niet op aankijken dat hij varkensvlees eet). De Westerse gelovige lost dit op door in zijn/haar denk- en gevoelsleven geloof en staatsbestel te integreren als “een van God gegeven situatie” waarin hij/zij is geplaatst en met in achtneming van Zijn geboden een plaats moet vinden. De orthodoxe moslim zal veeleer geneigd zijn tot het tonen van openlijke afkeuring en het met hart en ziel ondersteunen van overheidsregels die de Koran-voorschriften naleven, zoals religieuze politie, het voorschrijven van kleding die je in het openbaar wel of niet mag/moet dragen, verbod op de verkoop van alcohol, enz.
Dit verschil, dat ik in mijn vorige bijdrage heb benadrukt, zorgt mede voor de grote spanningen tussen islamitische en westerse manieren van denken ten aanzien van mondiale machtsvraagstukken, maar ook ten aanzien van het leven van de gewone mensen in de woonbuurten van steden. Veel moslims kunnen niet leven met wat zij zien als de bandeloze vrijheden in het westen, gesteund door regeringsverkiezingen, en veel westerlingen kunnen niet leven met wat zij voelen als onaanvaardbare dwang van individuele keuzen, opgelegd door potentaten die zonder verkiezingen of met schertsverkiezingen in het zadel worden gehouden.
Een prachtig voorbeeld dat het bovenstaande illustreert, kwam ik tegen in Trouw. In Frankrijk is er een populaire fastfoodketen genaamd Quick (de naam zegt het al) die zogenaamde “halalburgers” is gaan verkopen. Dat wil zeggen hamburgers gemaakt van runderen die halal zijn geslacht, dat wil zeggen middels het doorsnijden van de keel. In een woestijnklimaat is het zeer schadelijk voor de gezondheid om een dier eerst te doden, dan het risico te lopen om het slachten uit te stellen (de vijand komt er aan, of een stofstorm, nu even geen tijd) en zodoende het vlees snel te laten bederven. Dus stond in de religieuze wetten (lees: samenlevingswetten, staatswetten) dat de slacht onmiddellijk op het doden van het dier diende te gebeuren. Wat zie je nu in Frankrijk gebeuren in 2010? Veel moslims bezoeken daar geen hamburgertenten, maar zouden dat wel doen als ze wisten dat het vlees daar halal zou zijn. De klant is koning, dus Quick bouwt een groot aantal aparte halal-tenten. De regeringspartij UMP is daar “zeer verontrust” over, want zij ziet dit als een schending van de scheiding tussen geloof en staat, en Quick is een particuliere onderneming. Een Nederlander zou zich afvragen waarom, want je hebt toch de vrije keus om al of niet een halal-zaak te bezoeken? Bovendien, zou de nuchtere atheïst zeggen, smaak en kwaliteit van het vlees worden niet beïnvloed door de wijze waarop het dier is gedood, dus geef mij ook maar halal als dat het enige is wat je in huis hebt, als ik met vakantie naar Tunesië of Marokko ga eet ik het ook..
Het probleem van de scheiding tussen geloof en staat is voor UMP echter, dat de staat groot-aandeelhouder is van Quick, en Quick bij moskeeën Islamitische keurmeesters moet inhuren om een halal-certificaat voor een geslacht dier te verkrijgen. Zodoende worden geloof en staat op voor UMP onaanvaardbare wijze verstrengeld. (Dat de Islamitische consumentenbond Quick afraadt voor moslims omdat er niet genoeg keurmeesters beschikbaar zijn om al de halal-hamburgers te garanderen als echt halal, is vers twee).
Voor een Nederlander is dit muggenzifterij, want in Nederland zorgt de staat ervoor dat er scholen op godsdienstige basis wijd en zijd door het hele land kunnen functioneren, dat is nog eens wat anders dan hamburgers. De staat als groot-aandeelhouder in het op godsdienst gebaseerde onderwijs. Maar deze drastische ingreep in het staatsbestel zorgt er wel voor, dat de christelijke staatsburger minder moeite heeft met het individueel integreren van zijn loyaliteit aan zowel de staat, als aan zijn geloof. Hoe lang nog, met de voortschrijdende ontkerkelijking in zicht en het sluiten van de ene islamitische school na de andere wegens het niet voldoen aan de eisen van de staat, die ook gelden voor op godsdienst gebaseerde scholen?
Wednesday, September 08, 2010
Oost en West in de ogen van oprechte moslims en oprechte westerlingen
Gisteravond zag ik hoe knap een zeer orthodoxe Moslim door Pauw en Witteman soms met de mond vol tanden zat, toen hij verdedigde hoe wij ons niet moesten bemoeien met de steniging van de weduwe in Iran, die na de dood van haar man een nieuwe relatie had gevonden. De discussie legde ook weer keihard de verschillen bloot tussen “het Westen” en de zogenaamde Islamitische broederschap. De man ontkende de universele geldigheid van de Verklaring van de Universele Rechten van de Mens, omdat het een “product van westers denken” was. Ook had hij het herhaaldelijk over de uitgespeelde rol van “het westen” in de wereld.
Het Islamitische oosten kwam niet aan bod, dat was namelijk de vanzelfsprekende denkwereld waar de man van uitging. De verschillen tussen West en Oost werden dus ook niet door hem besproken, maar overduidelijk bleek hoezeer de Islamitische denkwereld wordt bepaald door “het welzijn van de groep” , met als tegenhanger “het welzijn van het individu” dat in het Westers denken centraal staat.
Aan de orde was de petitie die door velen was ondertekend, gericht aan de Iranese regering. Deze petitie werd door de man een inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van Iran gevonden. Men kwam er niet uit, de man bleef op zijn standpunt staan, hoewel ook hij het stenigen als straf smakeloos vond naar zijn zeggen. Maar hij was loyaal de groep, en de groep was “de moslims” in zijn algemeenheid, en “Iran” als staat met een wetgeving waar helaas pindakaas ook steniging van een relatie hebbende weduwen een wettig vonnis was, en waar advocaten niet werden gewenst en op de vlucht gejaagd. Dit punt werd door hem steeds uitgebreid met het thema “het zich superieur voelende Westen” tegenover de miskende rest van de wereld.
Zo zie je wat godsdienst vermag. Hoe uniek en nieuw in de wereldgeschiedenis is de westerse opvatting dat godsdienst en staat gescheiden moeten zijn. Onze TV-moslim was ervan overtuigd dat Allah de hoogste wetgever aan de mensen was, en dat zijn wetten in de Koran stonden verwoord. Geloof en staat kunnen dus niet gescheiden zijn.
Wat zelden wordt ingezien, is dat geloof en staat alleen in het openbare leven te scheiden zijn, maar niet in iemands hoofd. In het Westen wordt onder “scheiding tussen geloof en staat” verstaan de scheiding tussen enerzijds wetten en openbare regels, en anderzijds de manier waarop elk individu die beleeft en integreert met zijn levensopvatting en / of geloof. De wetten worden zo gemaakt, dat dit voor de meeste individuen zonder al te veel problemen zal gaan. In het Oosten is dit omgekeerd: elk individu maakt een onderscheid tussen “geloof en staat” in zijn denk- en gevoelsleven, en weet dat het geloof nu eenmaal “hoger” is dan de staat. Het is daarom logisch dat de staat zich richt naar de geloofswetten, ook al zijn die hard en wreed.
De Westerse oplossing voor het geloofs- en staatprobleem heeft dat Westen een voorsprong gegeven op het Oosten op het gebied van economie en technologie. Niet de hiërarchie in de staat, maar bruikbaarheid op de markt en vindingrijkheid van individuen bepalen het handelen en, vooral, het zich organiseren van mensen in bedrijven, bonden en verenigingen. De afhankelijkheid van het Westen van de grondstof olie werd steeds groter, en dit vergrootte de invloed op het wereldtoneel van de veelal olierijke Islamitische staten, die jaloers werden op het Westen en zich ertegen afzetten, maar ook hun materiële gedrag gingen nadoen om hun rijkdommen tonen. Vooral wordt nadruk gelegd op de “zedeloosheid” en “bandeloosheid” van Westerse staten, mogelijk gemaakt door niet het juiste Islamitische geloof aan te nemen, maar in werkelijkheid dus door de scheiding tussen geloof en staat, waarbij het aan het individu werd overgelaten hoe hij of zij zich zou gedragen, en niet aan de staat die de van God gegeven wetten diende uit te voeren. De levensstandaard en welvaart voor de diverse bevolkingen waren de Islamitische staten een gruwel, want was dat de zogenaamde beloning die die goddelozen toekwam?
In dit hele discours komt Islamisme naar voren als wanhoop, waarbij moordpartijen als martelarendom wordt verheerlijkt. Ook de arrogante, superieure houding van veel moslims die zich continu op hun geloof beroepen, is op die afgunst gebaseerd. Miljoenen arme, ongeletterde mensen gaan de straat op in een aantal Islamitische landen, wanneer in Amerika een handjevol zogenaamde christenen onder veel publiciteit Korans gaat verbranden, of wanneer een Deense krant een “beledigende” cartoon publiceert. Groepen zijn makkelijk te mobiliseren in die landen, zondenbokken makkelijk aan te wijzen en zich onttrekken aan de groepsdruk komt niet voor in het denkraam van de eenvoudige moslim in Afghanistan. Alles wordt bepaald door wat de gezaghebbers als wetgeving zien in de Koran.
Dit moet allemaal in aanmerking worden genomen als je het hiermee niet eens bent. Niet roepen dat je je ondergeschikt maakt aan een vreemd soort godsdienst, maar vermijden te provoceren met anti-islam-uitspraken en handelingen. Die worden alleen maar gebruikt om de vooringenomenheid van veel moslims tegen het rijke “Westen” (voorbijgaand aan de exorbitante rijkdom en uitbuiterij in sommige oliestaten in eigen gelederen) te voeden en haat aan te wakkeren. Tact en respect zijn hier aan de orde in het Westen, niet populisme en islam-haat, daarvoor biedt onze wetgeving de ruimte gelukkig.
Het Islamitische oosten kwam niet aan bod, dat was namelijk de vanzelfsprekende denkwereld waar de man van uitging. De verschillen tussen West en Oost werden dus ook niet door hem besproken, maar overduidelijk bleek hoezeer de Islamitische denkwereld wordt bepaald door “het welzijn van de groep” , met als tegenhanger “het welzijn van het individu” dat in het Westers denken centraal staat.
Aan de orde was de petitie die door velen was ondertekend, gericht aan de Iranese regering. Deze petitie werd door de man een inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van Iran gevonden. Men kwam er niet uit, de man bleef op zijn standpunt staan, hoewel ook hij het stenigen als straf smakeloos vond naar zijn zeggen. Maar hij was loyaal de groep, en de groep was “de moslims” in zijn algemeenheid, en “Iran” als staat met een wetgeving waar helaas pindakaas ook steniging van een relatie hebbende weduwen een wettig vonnis was, en waar advocaten niet werden gewenst en op de vlucht gejaagd. Dit punt werd door hem steeds uitgebreid met het thema “het zich superieur voelende Westen” tegenover de miskende rest van de wereld.
Zo zie je wat godsdienst vermag. Hoe uniek en nieuw in de wereldgeschiedenis is de westerse opvatting dat godsdienst en staat gescheiden moeten zijn. Onze TV-moslim was ervan overtuigd dat Allah de hoogste wetgever aan de mensen was, en dat zijn wetten in de Koran stonden verwoord. Geloof en staat kunnen dus niet gescheiden zijn.
Wat zelden wordt ingezien, is dat geloof en staat alleen in het openbare leven te scheiden zijn, maar niet in iemands hoofd. In het Westen wordt onder “scheiding tussen geloof en staat” verstaan de scheiding tussen enerzijds wetten en openbare regels, en anderzijds de manier waarop elk individu die beleeft en integreert met zijn levensopvatting en / of geloof. De wetten worden zo gemaakt, dat dit voor de meeste individuen zonder al te veel problemen zal gaan. In het Oosten is dit omgekeerd: elk individu maakt een onderscheid tussen “geloof en staat” in zijn denk- en gevoelsleven, en weet dat het geloof nu eenmaal “hoger” is dan de staat. Het is daarom logisch dat de staat zich richt naar de geloofswetten, ook al zijn die hard en wreed.
De Westerse oplossing voor het geloofs- en staatprobleem heeft dat Westen een voorsprong gegeven op het Oosten op het gebied van economie en technologie. Niet de hiërarchie in de staat, maar bruikbaarheid op de markt en vindingrijkheid van individuen bepalen het handelen en, vooral, het zich organiseren van mensen in bedrijven, bonden en verenigingen. De afhankelijkheid van het Westen van de grondstof olie werd steeds groter, en dit vergrootte de invloed op het wereldtoneel van de veelal olierijke Islamitische staten, die jaloers werden op het Westen en zich ertegen afzetten, maar ook hun materiële gedrag gingen nadoen om hun rijkdommen tonen. Vooral wordt nadruk gelegd op de “zedeloosheid” en “bandeloosheid” van Westerse staten, mogelijk gemaakt door niet het juiste Islamitische geloof aan te nemen, maar in werkelijkheid dus door de scheiding tussen geloof en staat, waarbij het aan het individu werd overgelaten hoe hij of zij zich zou gedragen, en niet aan de staat die de van God gegeven wetten diende uit te voeren. De levensstandaard en welvaart voor de diverse bevolkingen waren de Islamitische staten een gruwel, want was dat de zogenaamde beloning die die goddelozen toekwam?
In dit hele discours komt Islamisme naar voren als wanhoop, waarbij moordpartijen als martelarendom wordt verheerlijkt. Ook de arrogante, superieure houding van veel moslims die zich continu op hun geloof beroepen, is op die afgunst gebaseerd. Miljoenen arme, ongeletterde mensen gaan de straat op in een aantal Islamitische landen, wanneer in Amerika een handjevol zogenaamde christenen onder veel publiciteit Korans gaat verbranden, of wanneer een Deense krant een “beledigende” cartoon publiceert. Groepen zijn makkelijk te mobiliseren in die landen, zondenbokken makkelijk aan te wijzen en zich onttrekken aan de groepsdruk komt niet voor in het denkraam van de eenvoudige moslim in Afghanistan. Alles wordt bepaald door wat de gezaghebbers als wetgeving zien in de Koran.
Dit moet allemaal in aanmerking worden genomen als je het hiermee niet eens bent. Niet roepen dat je je ondergeschikt maakt aan een vreemd soort godsdienst, maar vermijden te provoceren met anti-islam-uitspraken en handelingen. Die worden alleen maar gebruikt om de vooringenomenheid van veel moslims tegen het rijke “Westen” (voorbijgaand aan de exorbitante rijkdom en uitbuiterij in sommige oliestaten in eigen gelederen) te voeden en haat aan te wakkeren. Tact en respect zijn hier aan de orde in het Westen, niet populisme en islam-haat, daarvoor biedt onze wetgeving de ruimte gelukkig.
Thursday, July 08, 2010
Tuesday, June 29, 2010
Friday, June 25, 2010
Tuesday, June 22, 2010
Thursday, December 10, 2009
het politieke correctisme
Islam in Nederland: wat is politiek-maatschappelijk correct?
Gisteren zag ik een interview van Andries Knevel met Geert Wilders, en daarvoor had ik een uitgebreid artikel gelezen in HP-De Tijd over Wilder’s ideologische bronnen in Scandinavië. Hij is voor de rechter gesleept vanwege het beledigen van bevolkingsgroepen.
Men kan zeggen dat ’s mans methoden en aanpak niet de schoonheidsprijs verdienen, maar in de kern wijst hij op een reëel gevaar. Zijn tegenstanders doen geen enkele moeite zijn argumenten te ontkrachten, maar maken hem belachelijk. Veel goed-geïntegreerde moslims reduceren hem tot een “klein mannetje naar wie het niet de moeite waard is te luisteren”, intellectuelen en politici noemen hem een opruiende populist, en sommigen noemen zijn partij een soort NSB. Toch haalt hij 20-30 kamerzetels in de virtuele verkiezingen.
Toch zijn het diezelfde tegenstanders, te zoeken in vooral PvdA-kringen en verlichte moslims, die het beeld oproepen van gevaar, Wilders verwoordt het alleen. De jeugd ziet dat gevaar niet, die ziet in de Islam een manier om zich te profileren en af te zetten tegen de “gevestigde orde” en genieten volop van de vrijheden in dit land. Onlangs zag ik op een weblog een foto van twee vrolijk de camera inkijkende, hoofddoekjes dragende jongemeiden, die zich er blijkbaar niet van bewust waren dat het zich zomaar op de foto laten zetten door een onbekende fotograaf op straat totaal niet haram is, zeker niet voor vrouwen. De Islam is voor hen hoogstens een spirituele verrijking, en zeker geen schrikbeeld, vandaar hun hoofddoekje.
Wilder’s tegenstanders roepen dat Wilders de Islam demoniseert. Heus, het maakt niet uit of je moslim bent, je bent ook Nederlander en je eerbiedigt dus de Nederlandse wetgeving. Zij keren zich ook tegen “moslim”-jongeren die zich misdragen. Echter, nooit zul je van hen een woord van kritiek horen op moslimgebruiken, op de Islam of de Koran, zoals veel Nederlanders dat wel doen. Hoe verklaren zij dat overal in het Midden-oosten christenen worden gediscrimineerd, het leven zuur gemaakt en weggepest door moslimbroeders? Waarom dragen zij hoofddoekjes in een soort masochisme, want ze weten dat ze hierover op straat en openbare ruimten opmerkingen krijgen? Zo van lekker puh, ik draag als een soort martelares een hoofddoekje, een soort vlag op mijn hoofd? Hoe verklaren zij de opmerking die je vaak hoort van moslims: wacht maar, straks zijn wij de baas want we krijgen veel meer kinderen dan jullie en we blijven immigreren, straks zal ook hier sharia heersen? Hoe verklaren zij de onmogelijkheid voor westerse vrouwen om in landen als Pakistan blootshoofds over straat te gaan, laat staan dat een christelijk priester dat doet in zijn ambtsgewaad? Het verbod op het importeren van een bijbel, de doodstraf of uitstoting en verbanning als men zich bekeert tot een ander geloof? Het strenge verbod om een ander geloof te prediken dan de Islam, behalve voor eigen geloofsgenoten in de kerk? Is dat niet in naam van de Islam, of is dat een ander soort Islam, waar zij dus geen, ik herhaal geen afstand van nemen, maar alleen van zeggen: in dit land moet men de wetten van dit land naleven om er vervolgens achteraan te denken: tot ook hier de sharia zal zijn ingevoerd.
Wat heeft Geert Wilders nu eigenlijk misdaan? Ik heb hem nog nooit op een racistische opmerking betrapt zoals Hitler en kornuiten dat deden bij de Joden of Amerikanen en Afrikanen bij zwarten, integendeel, hij put zich uit in pleidooien voor godsdienstvrijheid, om meteen daarna te zeggen dat godsdienstvrijheid voor de Islam niet bestaat. Het is dus onzin om dezelfde vrijheden toe te staan aan een godsdienst die zichzelf superieur acht, en die zelfs het wetsysteem wil veranderen, d.w.z. staatsgevaarlijk is, als aan andere godsdiensten die je nooit hoort over het aantasten van onze wetten. Is dat logisch of niet?
Nu hoor je als tegen-argument dat lang niet alle moslims zo zijn. Wil de burgemeester van Rotterdam de Nederlandse wetten vervangen door de sharia en is hij daar in zijn ambt mee bezig? Hoe zit het met de plaatselijke politici in de grote steden die toch ook voor een groot deel moslim zijn? Een ervan beweert zelfs dat hij “de Islam thuislaat” als hij met zijn werk bezig is. En we hebben Tariq Ramadan, de bruggenbouwer. Ik ben het nog steeds niet eens met zijn ontslag, maar zie hem wel als een intellectueel die veel doet voor vooral de Islam en ook het propageren van een meer westers-georienteerde Islam. Maar hoe je het ook wendt of keert, per definitie streeft de Islam naar onderwerping, want zij acht zichzelf zonder enige tegenspraak of kritiek te dulden, het enig juiste systeem. Islam betekent ook letterlijk “onderwerping”.
Jezus Christus zei: als u mijn boodschap verkondigt, en de mensen willen niet luisteren, klop dan het stof van uw sandalen en vervolg uw weg. Wat zegt Mohammed en wat zegt de Koran? Dood hen of onderwerp hen. Of is dat enkel symbolisch bedoeld? De Christenen en Joden hoeven niet dood, maar moeten hun godsdienst in het verborgene beoefenen, extra belasting betalen, en worden geweerd uit openbare ambten. In de praktijk gaat dit nog verder, maar dat is iets van de laatste jaren, sinds de opkomst van het fundamentalisme.
De Islam belemmert ook de ontwikkeling van mensen. Studeren is immers niet nodig, want de Koran heeft overal een antwoord op, zoals op TV tijdens een debat een overtuigde moslim glimlachend hoorde zeggen, en die glimlach was niet omdat hij het ironisch bedoelde, maar het was de glimlach van de wijze alweter. Moslim-studenten, knoop dat in uw oren. En zeker geen menswetenschappen (sociologie, psychologie, laat staan godsdienstpsychologie) of letterkunde van een westerse cultuur. Op de hotelschool heb ik lesgegeven aan moslimstudenten, die vrolijk alcohol dronken tijdens de lessen in wijnkunde, en bier op studentenfeestjes, maar diep beledigd waren toen ik een geschilderd portret van Mohammed liet zien. Wel de vrijheden die men hier geniet, maar niet de inhoud van de godsdienst. In islamitische landen kent men dat onderscheid helaas niet. Kritiek op de Islam is hier in het land een groot taboe, respect is wat geëist wordt, ook voor daden, gebruiken en gewoonten in islamitische landen, het “huis van de Islam”.
Gisteren zag ik een interview van Andries Knevel met Geert Wilders, en daarvoor had ik een uitgebreid artikel gelezen in HP-De Tijd over Wilder’s ideologische bronnen in Scandinavië. Hij is voor de rechter gesleept vanwege het beledigen van bevolkingsgroepen.
Men kan zeggen dat ’s mans methoden en aanpak niet de schoonheidsprijs verdienen, maar in de kern wijst hij op een reëel gevaar. Zijn tegenstanders doen geen enkele moeite zijn argumenten te ontkrachten, maar maken hem belachelijk. Veel goed-geïntegreerde moslims reduceren hem tot een “klein mannetje naar wie het niet de moeite waard is te luisteren”, intellectuelen en politici noemen hem een opruiende populist, en sommigen noemen zijn partij een soort NSB. Toch haalt hij 20-30 kamerzetels in de virtuele verkiezingen.
Toch zijn het diezelfde tegenstanders, te zoeken in vooral PvdA-kringen en verlichte moslims, die het beeld oproepen van gevaar, Wilders verwoordt het alleen. De jeugd ziet dat gevaar niet, die ziet in de Islam een manier om zich te profileren en af te zetten tegen de “gevestigde orde” en genieten volop van de vrijheden in dit land. Onlangs zag ik op een weblog een foto van twee vrolijk de camera inkijkende, hoofddoekjes dragende jongemeiden, die zich er blijkbaar niet van bewust waren dat het zich zomaar op de foto laten zetten door een onbekende fotograaf op straat totaal niet haram is, zeker niet voor vrouwen. De Islam is voor hen hoogstens een spirituele verrijking, en zeker geen schrikbeeld, vandaar hun hoofddoekje.
Wilder’s tegenstanders roepen dat Wilders de Islam demoniseert. Heus, het maakt niet uit of je moslim bent, je bent ook Nederlander en je eerbiedigt dus de Nederlandse wetgeving. Zij keren zich ook tegen “moslim”-jongeren die zich misdragen. Echter, nooit zul je van hen een woord van kritiek horen op moslimgebruiken, op de Islam of de Koran, zoals veel Nederlanders dat wel doen. Hoe verklaren zij dat overal in het Midden-oosten christenen worden gediscrimineerd, het leven zuur gemaakt en weggepest door moslimbroeders? Waarom dragen zij hoofddoekjes in een soort masochisme, want ze weten dat ze hierover op straat en openbare ruimten opmerkingen krijgen? Zo van lekker puh, ik draag als een soort martelares een hoofddoekje, een soort vlag op mijn hoofd? Hoe verklaren zij de opmerking die je vaak hoort van moslims: wacht maar, straks zijn wij de baas want we krijgen veel meer kinderen dan jullie en we blijven immigreren, straks zal ook hier sharia heersen? Hoe verklaren zij de onmogelijkheid voor westerse vrouwen om in landen als Pakistan blootshoofds over straat te gaan, laat staan dat een christelijk priester dat doet in zijn ambtsgewaad? Het verbod op het importeren van een bijbel, de doodstraf of uitstoting en verbanning als men zich bekeert tot een ander geloof? Het strenge verbod om een ander geloof te prediken dan de Islam, behalve voor eigen geloofsgenoten in de kerk? Is dat niet in naam van de Islam, of is dat een ander soort Islam, waar zij dus geen, ik herhaal geen afstand van nemen, maar alleen van zeggen: in dit land moet men de wetten van dit land naleven om er vervolgens achteraan te denken: tot ook hier de sharia zal zijn ingevoerd.
Wat heeft Geert Wilders nu eigenlijk misdaan? Ik heb hem nog nooit op een racistische opmerking betrapt zoals Hitler en kornuiten dat deden bij de Joden of Amerikanen en Afrikanen bij zwarten, integendeel, hij put zich uit in pleidooien voor godsdienstvrijheid, om meteen daarna te zeggen dat godsdienstvrijheid voor de Islam niet bestaat. Het is dus onzin om dezelfde vrijheden toe te staan aan een godsdienst die zichzelf superieur acht, en die zelfs het wetsysteem wil veranderen, d.w.z. staatsgevaarlijk is, als aan andere godsdiensten die je nooit hoort over het aantasten van onze wetten. Is dat logisch of niet?
Nu hoor je als tegen-argument dat lang niet alle moslims zo zijn. Wil de burgemeester van Rotterdam de Nederlandse wetten vervangen door de sharia en is hij daar in zijn ambt mee bezig? Hoe zit het met de plaatselijke politici in de grote steden die toch ook voor een groot deel moslim zijn? Een ervan beweert zelfs dat hij “de Islam thuislaat” als hij met zijn werk bezig is. En we hebben Tariq Ramadan, de bruggenbouwer. Ik ben het nog steeds niet eens met zijn ontslag, maar zie hem wel als een intellectueel die veel doet voor vooral de Islam en ook het propageren van een meer westers-georienteerde Islam. Maar hoe je het ook wendt of keert, per definitie streeft de Islam naar onderwerping, want zij acht zichzelf zonder enige tegenspraak of kritiek te dulden, het enig juiste systeem. Islam betekent ook letterlijk “onderwerping”.
Jezus Christus zei: als u mijn boodschap verkondigt, en de mensen willen niet luisteren, klop dan het stof van uw sandalen en vervolg uw weg. Wat zegt Mohammed en wat zegt de Koran? Dood hen of onderwerp hen. Of is dat enkel symbolisch bedoeld? De Christenen en Joden hoeven niet dood, maar moeten hun godsdienst in het verborgene beoefenen, extra belasting betalen, en worden geweerd uit openbare ambten. In de praktijk gaat dit nog verder, maar dat is iets van de laatste jaren, sinds de opkomst van het fundamentalisme.
De Islam belemmert ook de ontwikkeling van mensen. Studeren is immers niet nodig, want de Koran heeft overal een antwoord op, zoals op TV tijdens een debat een overtuigde moslim glimlachend hoorde zeggen, en die glimlach was niet omdat hij het ironisch bedoelde, maar het was de glimlach van de wijze alweter. Moslim-studenten, knoop dat in uw oren. En zeker geen menswetenschappen (sociologie, psychologie, laat staan godsdienstpsychologie) of letterkunde van een westerse cultuur. Op de hotelschool heb ik lesgegeven aan moslimstudenten, die vrolijk alcohol dronken tijdens de lessen in wijnkunde, en bier op studentenfeestjes, maar diep beledigd waren toen ik een geschilderd portret van Mohammed liet zien. Wel de vrijheden die men hier geniet, maar niet de inhoud van de godsdienst. In islamitische landen kent men dat onderscheid helaas niet. Kritiek op de Islam is hier in het land een groot taboe, respect is wat geëist wordt, ook voor daden, gebruiken en gewoonten in islamitische landen, het “huis van de Islam”.
Wednesday, November 25, 2009
Hubble's law and beyond
A TV program and a book made me decide, once and for all, that at the borders of the observable the laws of logic are no longer valid. Maybe they will be replaced there by other laws, which we don’t know (yet), but probably they will, if they exist, be beyond the scope of human capabilities to understand. For the time being we ‘ll have to live with ignorance about any systems, logic, or predictability in this world around the borders of observation.
When I read that an observation itself influences the behaviour of a tiny hardly observable particle, like if I observe a tree and make it suddenly appear at farther or nearer distance from me, just because of my observation, or when I read that half a particle, separated from the other half, influences the behaviour of the other half, even at a distance of billions of light years, then I try to understand that further research will be needed to explain these magical phenomena.
But there is more: take the cosmological “law” of Hubble. It assumes that objects in the universe are moving away from each other. This finding is based on the observation that the color of far-away galaxies shows a shift to red which can only be attributed to the fact that it moves from us, like the sound of a train shows a shift in pitch when it moves away from us standing along the railway (the “Doppler effect”). The farther away the galaxy, the more red-shift it shows, so the faster it moves from us. Hubble’s law says that the distance from the earth at which a galaxy is located, divided by the speed at which it moves from us, is constant. In other words, there is a linear correlation between distance and speed: the farther away a galaxy is located from us, the faster it moves from us.
We don’t talk here about miles or even parsecs (= the distance between Earth and Sun) but about millions of Megaparsecs, billions of light-years (a light year is the distance that light travels in one year). We talk about the borders of the universe, the borders of the observable things and events. The Andromeda galaxy, for instance, is located four million light-years away from us, and it moves towards us instead of away from us. This is “allowed” by Hubble’s law, because the distance to our own galaxy is too small (!), and gravity overrules Hubble.
So far, so good. We have to take into account that this knowledge about the universe is very, very recent. People like Einstein gave a boost to cosmology. Before him, we thought that the universe consisted of only the galaxy where we live in, our Milky Way, and in the nineteenth century we were, despite the invention of telescopes, still at about the same level as the ancient Arabs or the Greek (the Middle Ages saw a decrease in knowledge because the Bible was propagated as the ultimate source of all insights).
So the danger is exists that our scientists rely too much on a scientific construction that is built on too weak assumptions. Calculation and logical construction of formulas is patient, computers will always do their work, neatly and correctly according to the rules of mathematics and logic. But we already discovered that on cosmological scale, Euclidian (=traditional, generally understood and accepted ) mathematics don’t work, e.g. the shortest distance between points is, on cosmological scale, not the straight line between the two points, as we all accept it is. Don’t ask me why, I’m not a mathematician or cosmologist.
Now I’m approaching my point, my big question. There is a big anomaly in this story of far-away galaxies that move away from each other (and, according to another cosmological law, by consequence, also from us on Earth). In several publications that try to explain the findings of scholars to us lay-people, I have read that the farther we look into the cosmos, the farther we look into the past. So when I see the planet Mars, I don’t see Mars in its present situation, but in the situation it was twenty minutes ago. The image of Mars takes twenty minutes to travel from Mars to my eyes, at light speed. The same must hold for a galaxy at 10 billion light years away, or a galaxy at 10 million light years away.
Referring to Hubble’s law, scientists discovered around 1990 that our universe is expanding at an accelerating rate. Note well, that the expansion speed already accelerates according to Hubble's law itself in a linear correlation with distance, but now it had been discovered that it also accelerates as a total, so Hubble's acceleration has to be multiplied by a certain factor. Up to then, Hubble’s law was helpful to reason that this expansion rate would be decreasing in time, because of the gravity force. Then there would be a period of balance, after which the universe would start to shrink, ending up in the “Big Crunch”. A nice, symmetrical theory which would explain for a periodic sequence of several universes one after the other: after the “Big Crunch” or maybe even simultaneously, there would be a new “Big Bang”. But now this whole beautiful theory had to be overhauled and replaced by the view on a completely dead and cold universe in the far future with extinguished stars (not stars anymore) moving away from each other, dark and not “aware” of each other, in an unimaginably big empty space without any light or whatever: the almost complete nothing would be achieved, absolute minimal temperature (zero degrees Kelvin) would rule everywhere. So this idea of an expanding universe is not the whole story, it’s also expanding at an accelerating rate. The scientists try to explain the aberration from the laws of gravity by introducing a new force, so weak, that it only works at cosmological scale. It’s more or less the opposite of gravity, it’s pushing objects away from each other.
But my point is: OK, so far so good, but if we are looking back into the past, don’t we have to conclude then that this accelerating speed also took place in the past? Why do cosmologists shout from the roofs that our universe “is expanding at an accelerating rate” when they observe this rate in situations that have been millions, billions of years ago? The closer we get to our Earth, the more recent observations we make, and we see that not that long ago, this speed of moving away objects and galaxies is gradually slowing down, neatly according to Hubble’s law. Preliminary conclusion: the universe is expanding at a decreasing rate, just the opposite of what cosmologists are concluding.
I said “preliminary conclusion” because we also must conclude that we cannot observe things or events beyond the border of the speed of light. We are not able to observe the here and now elsewhere, because of the speed of light, just like we are not able to hear the hammer fall on the pole the moment it hits the pole, when the pole is being hammered a few hundreds of meters away from us. We hear this a second or so after we have seen the hit. We don’t even see it the moment it hits the pole, but the time it takes for the image “pole-hitting hammer” to reach our eye is so extremely short that it’s not observable (although it exists). The only thing cosmologists can do is writing the history of the universe, and extrapolations to the future are doubtful. It’s already impossible to imagine a universe that is distributed evenly all around us, and that looks alike regardless of any location in the universe, with no observable centre or clustering of matter indicating a centre where the Big Bang could have taken place some 13 billion of years ago as the scientists have calculated with the aid of Hubble’s law.
I find myself alone in this question, I read about it nowhere . Everybody seems to take for granted what the scientists proclaim. Either I am struggling with a question just like an ignorant student who still has to see the light, or I’m just concluding something very simple, not by formulas and arithmetic, but by reasoning. But maybe there is a third explanation for my question, the one I referred to in the beginning: we are confronted with the borders of our observable world, and then all kinds of anomalies and illogical phenomena will appear. I think that’s the area where creation starts. Creation isn’t an event that took place in the past, it’s still going on, and we are trying to catch its mechanisms, but must admit we are restricted in our observation and calculation capacities. It’s hard to accept, but true.
When I read that an observation itself influences the behaviour of a tiny hardly observable particle, like if I observe a tree and make it suddenly appear at farther or nearer distance from me, just because of my observation, or when I read that half a particle, separated from the other half, influences the behaviour of the other half, even at a distance of billions of light years, then I try to understand that further research will be needed to explain these magical phenomena.
But there is more: take the cosmological “law” of Hubble. It assumes that objects in the universe are moving away from each other. This finding is based on the observation that the color of far-away galaxies shows a shift to red which can only be attributed to the fact that it moves from us, like the sound of a train shows a shift in pitch when it moves away from us standing along the railway (the “Doppler effect”). The farther away the galaxy, the more red-shift it shows, so the faster it moves from us. Hubble’s law says that the distance from the earth at which a galaxy is located, divided by the speed at which it moves from us, is constant. In other words, there is a linear correlation between distance and speed: the farther away a galaxy is located from us, the faster it moves from us.
We don’t talk here about miles or even parsecs (= the distance between Earth and Sun) but about millions of Megaparsecs, billions of light-years (a light year is the distance that light travels in one year). We talk about the borders of the universe, the borders of the observable things and events. The Andromeda galaxy, for instance, is located four million light-years away from us, and it moves towards us instead of away from us. This is “allowed” by Hubble’s law, because the distance to our own galaxy is too small (!), and gravity overrules Hubble.
So far, so good. We have to take into account that this knowledge about the universe is very, very recent. People like Einstein gave a boost to cosmology. Before him, we thought that the universe consisted of only the galaxy where we live in, our Milky Way, and in the nineteenth century we were, despite the invention of telescopes, still at about the same level as the ancient Arabs or the Greek (the Middle Ages saw a decrease in knowledge because the Bible was propagated as the ultimate source of all insights).
So the danger is exists that our scientists rely too much on a scientific construction that is built on too weak assumptions. Calculation and logical construction of formulas is patient, computers will always do their work, neatly and correctly according to the rules of mathematics and logic. But we already discovered that on cosmological scale, Euclidian (=traditional, generally understood and accepted ) mathematics don’t work, e.g. the shortest distance between points is, on cosmological scale, not the straight line between the two points, as we all accept it is. Don’t ask me why, I’m not a mathematician or cosmologist.
Now I’m approaching my point, my big question. There is a big anomaly in this story of far-away galaxies that move away from each other (and, according to another cosmological law, by consequence, also from us on Earth). In several publications that try to explain the findings of scholars to us lay-people, I have read that the farther we look into the cosmos, the farther we look into the past. So when I see the planet Mars, I don’t see Mars in its present situation, but in the situation it was twenty minutes ago. The image of Mars takes twenty minutes to travel from Mars to my eyes, at light speed. The same must hold for a galaxy at 10 billion light years away, or a galaxy at 10 million light years away.
Referring to Hubble’s law, scientists discovered around 1990 that our universe is expanding at an accelerating rate. Note well, that the expansion speed already accelerates according to Hubble's law itself in a linear correlation with distance, but now it had been discovered that it also accelerates as a total, so Hubble's acceleration has to be multiplied by a certain factor. Up to then, Hubble’s law was helpful to reason that this expansion rate would be decreasing in time, because of the gravity force. Then there would be a period of balance, after which the universe would start to shrink, ending up in the “Big Crunch”. A nice, symmetrical theory which would explain for a periodic sequence of several universes one after the other: after the “Big Crunch” or maybe even simultaneously, there would be a new “Big Bang”. But now this whole beautiful theory had to be overhauled and replaced by the view on a completely dead and cold universe in the far future with extinguished stars (not stars anymore) moving away from each other, dark and not “aware” of each other, in an unimaginably big empty space without any light or whatever: the almost complete nothing would be achieved, absolute minimal temperature (zero degrees Kelvin) would rule everywhere. So this idea of an expanding universe is not the whole story, it’s also expanding at an accelerating rate. The scientists try to explain the aberration from the laws of gravity by introducing a new force, so weak, that it only works at cosmological scale. It’s more or less the opposite of gravity, it’s pushing objects away from each other.
But my point is: OK, so far so good, but if we are looking back into the past, don’t we have to conclude then that this accelerating speed also took place in the past? Why do cosmologists shout from the roofs that our universe “is expanding at an accelerating rate” when they observe this rate in situations that have been millions, billions of years ago? The closer we get to our Earth, the more recent observations we make, and we see that not that long ago, this speed of moving away objects and galaxies is gradually slowing down, neatly according to Hubble’s law. Preliminary conclusion: the universe is expanding at a decreasing rate, just the opposite of what cosmologists are concluding.
I said “preliminary conclusion” because we also must conclude that we cannot observe things or events beyond the border of the speed of light. We are not able to observe the here and now elsewhere, because of the speed of light, just like we are not able to hear the hammer fall on the pole the moment it hits the pole, when the pole is being hammered a few hundreds of meters away from us. We hear this a second or so after we have seen the hit. We don’t even see it the moment it hits the pole, but the time it takes for the image “pole-hitting hammer” to reach our eye is so extremely short that it’s not observable (although it exists). The only thing cosmologists can do is writing the history of the universe, and extrapolations to the future are doubtful. It’s already impossible to imagine a universe that is distributed evenly all around us, and that looks alike regardless of any location in the universe, with no observable centre or clustering of matter indicating a centre where the Big Bang could have taken place some 13 billion of years ago as the scientists have calculated with the aid of Hubble’s law.
I find myself alone in this question, I read about it nowhere . Everybody seems to take for granted what the scientists proclaim. Either I am struggling with a question just like an ignorant student who still has to see the light, or I’m just concluding something very simple, not by formulas and arithmetic, but by reasoning. But maybe there is a third explanation for my question, the one I referred to in the beginning: we are confronted with the borders of our observable world, and then all kinds of anomalies and illogical phenomena will appear. I think that’s the area where creation starts. Creation isn’t an event that took place in the past, it’s still going on, and we are trying to catch its mechanisms, but must admit we are restricted in our observation and calculation capacities. It’s hard to accept, but true.
Tuesday, September 29, 2009
Hoofddoekjes en boerka's: onbenullig of belangrijk?

Dit is de eerste van een reeks korte opstellen waarin overeenkomsten en verschillen tussen enerzijds de christelijk-liberale Nederlandse cultuur, en anderzijds de Islamitisch-theocratische moslimcultuur worden belicht.
Ter toelichting op de titel: in de pers maar ook in de literatuur (bv. Joris Luyendijk in zijn boek "Tipje van de sluier") wordt betwist dat er een "Nederlandse" of een "Islamitische" cultuur zou bestaan. Natuurlijk zijn er binnen de Islam en binnen Nederland verschillende culturen te onderscheiden, maar al die culturen en subculturen hebben toch elementen die hen tot één nationale c.q. internationale cultuursamenbinden. In een van de volgende bijdragen kom ik daar op terug.
De vrijheid van godsdienst is een beginsel dat de vrijheid van een individu of gemeenschap ondersteunt om haar of zijn godsdienst of levensovertuiging te uiten in onderwijs, handelingen, eredienst en en voorschriften. (Artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens). Het hoofddoekje is in een aantal Europese landen en Turkije zelf een heet hangijzer geworden. Een hangijzer, omdat hier een concreet en tastbaar onderwerp voorhanden is om te “getuigen”. Des te meer geldt dit natuurlijk voor de boerka. Volgens het bovengenoemd artikel is iedereen vrij om een hoofddoekje of boerka te dragen, toch levert het blijkbaar problemen op in landen die van oudsher bekend staan om hun tolerantie voor de diverse godsdiensten. In België bijnvoorbeeld is het hoofddoekje onderwerp van politieke en maatschappelijke discussie, terwijl de lange rokken van de pastoors en de hoeden en vlechten van orthodoxe Joden daar nooit een probleem waren. Voor België en Frankrijk betekent “scheiding van Kerk en Staat” en “godsdienstvrijheid” dat de openbare ruimte vrij zou moeten zijn van godsdienstige uitingen. Dat is dus niet overeenkomstig de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, en bovendien inconsequent want tot de massale immigratie van moslims gold dit blijkbaar niet voor priesters en orthodoxe Joden.
Nederland kent sinds de Verlichting eveneens een intolerante traditie, maar hier was het tonen van godsdienstige tekens en symbolen in de openbare ruimte uitsluitend toegestaan aan protestanten in het midden en noorden van het land, slechts in het zuiden eveneens aan de Rooms-Katholieken. In de tijd die aan de verzuiling voorafging, was de Nederlands Hervormde Kerk de bevoordeelde kerk, d.w.z. hoge ambtenaren moesten Nederlands Hervormd zijn, zelfs de koning (Willem I) bemoeide zich met het opstellen van regels voor deze kerk. Nog tot de grondwetswijziging van 1989 bestond in Nederland het processieverbod voor protestantse gebieden. De Hoge Raad achtte dit in 1962 niet in strijd met het hierboven aangehaalde artikel uit de Universele verklaring van de rechten van de mens, ondanks ook de in de Grondwet verankerde vrijheid van godsdienst.
Ten tijde van de Republiek, toen de Gereformeerde Kerk (de voorloper van de Nederlands-Hervormde kerk en de veelheid van denominaties die wij “protestanten” noemen) een geprivilegieerde positie innam, benaderde ons land het staatskerksysteem. Volgens artikel 36 van de Nederlandse geloofsbelijdenis (1561) was het de taak van de overheid ‘om te weren en uit te roeien alle afgoderij, en valse godsdienst, om het rijk des antichrists te gronde te werpen’. In 1796 werd de scheiding van kerk en staat een feit. De financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs bij de grondwetsherziening van 1917 markeerde het begin van wat de verzuiling is gaan heten. Het betekende dat vier levensbeschouwelijke hoofdstromingen elkaar particulier verketterden, maar in het openbare leven en in het landsbestuur elkaar gedoogden en zelfs samenwerkten. Twee van die stromingen waren religieus (“confessioneel”) van karakter, twee seculier: Rooms-katholiek, protestants, liberaal en socialistisch. De twee seculiere overlapten ook nog eens voor een groot deel de twee confessionele, en binnen de vier waren ook diverse afsplitsingen en varianten te onderkennen.
Vooral de godsdienst bleek een splijtzwam. Orthodoxe dominees gruwden van het rooms katholicisme, en brachten dit over op de geloofsgenoten. Pastoors waren veel milder in hun oordeel over de protestantse orthodoxie, mogelijk vanuit de defensieve houding die zij in Nederland waren gewend aan te nemen tegenover de “officiële godsdienst”, de godsdienst van de watergeuzen en de Oranjes. Het dédain voor het Rooms-Katholicisme dat Willem I aan de dag legde was ook een belangrijke aanleiding tot de afsplitsing van België van Nederland. De tolerante Willem II kon dit niet meer goedmaken. België beschikte over een invloedrijke katholieke elite, die in Nederland lang zo sterk niet was. Deze elite moest weinig hebben van de protestantse machthebbers uit het noorden. Mogelijk vreesden zij ook het respect voor het gewone volk, eigen aan het protestantisme, en machtsverlies van de kerk die hen steeds ondersteunde. Zo heeft de katholieke bevolking in de provincies Limburg en Noord-brabant zich steeds moeten verdedigen en pas na 1917 verwierven de katholieken officieel volledig erkenning.
Sinds de zestiger jaren heeft een gestage afname plaatsgevonden van het gevoel bij een kerk of godsdienst te horen. Volgens het onderzoek Godsdienstige Veranderingen in Nederland (SCP, 2006) blijkt dat in het jaar 2000 62% van de Nederlanders niet verbonden was met een of andere kerk of godsdienst. Dit percentage loopt in 2020 op naar 72%. De Islam echter blijkt jaarlijks te groeien. In 2000 is 5% van de Nederlanders islamitisch. Dit loopt op naar 8% in 2020, een percentage dat nog 4 maal kleiner is dan dat van de christelijke kerken, en 9 maal kleiner dan het percentage onkerkelijken, die zichzelf overigens voor een onbekend, groot deel nog steeds “religieus” blijven noemen.
De Islam, zoals die beleden wordt door de meeste immigranten, verschilt wezenlijk van het christendom, niet alleen qua inhoud, maar ook qua beleving. De Islam komt voort uit de traditie van volkeren waar men zeer sterk op elkaar en op traditie is aangewezen. Familie en lokale overgeleverde gewoonten en gebruiken spelen een grote rol, er wordt sterk gehecht aan de groep waarvan men lid is, en (misschien wel daardoor) “voorkomen van gezichtsverlies” en “respect” zijn er belangrijke waarden. Dat gezicht wordt al snel verloren, want het aantal regels waaraan “men” zich te houden heeft, en die hun oorsprong vinden in de Koran (althans volgens de gangbare interpretaties onder het volk) is groot. Overtreding ligt steeds op de loer. Waarden die respect afdwingen en het groepsgevoel benadrukken, zijn veel sterker dan in Nederland van oudsher het geval was.
Deze islamitische instroom heeft bij binnenkomst en ook lang daarna geen enkel besef van de waarden en de geschiedenis ervan in Nederland. In Nederland worden elkaars godsdiensten, evenals het atheïsme, gerespecteerd, en houdt de staat zich buiten godsdienstige kwesties. In Nederland is men zeker niet gewend aan het opleggen van gedragsregels aan elkaar, behalve in de van oudsher orthodox-protestante dorpen in de Bible Belt. In de meeste Islamitische landen ziet een groot deel van de bevolking de sharia als ideale rechtssysteem, en de overheid als hoeder van de godsdienst, dus precies andersom als in ons land. Een aantal regeringen van die landen modelleert zich graag als Westerse democratie, maar moet wat dat betreft op eieren lopen om zich niet de woede van het volk op de hals te halen. In Irak, Iran en Afghanistan worden bv. verkiezingen gehouden, maar verkiezingen horen niet tot de culturele traditie van die landen, dus eindigen ze steevast in strijd vanwege vervalsingen en fraude, volkomen te goeder trouw begaan door mensen die vinden dat ze de duivel niet mogen helpen door hem de verkiezingen te laten winnen. In Egypte werden tijdens de afgelopen ramadan mensen gearresteerd omdat ze op straat overdag stonden te eten, hoewel in de Egyptische wet (naar westelijk model ingericht) niet staat dat dit verboden is.
In West-Europa wordt gegruwd bij de gedachte dat er door een overheid of geestelijkheid gedragingen worden opgelegd aan de hele bevolking, die gemotiveerd zijn vanuit een bepaalde godsdienst. De Islam wemelt van verplichtingen en verboden, en de overheid wordt geacht een aantal daarvan actief te ondersteunen door wetgeving, het liefst zagen velen in die landen dat de sharia onverkort zou worden aanvaard als de wetgeving van het land. Met name Iran heeft een revolutie doorgemaakt die precies omgekeerd was aan de Franse revolutie. In de Franse revolutie werden de priesters opgeknoopt door ongelovigen, in Iran knoopten de geestelijken de ongelovigen op.
De immigratie door de Islam heeft in West-Europa in het algemeen, en in Nederland in het bijzonder, gezorgd voor heroverweging van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Moet het een godsdienst worden toegestaan zich te uiten, als die godsdienst zich niet kan of wil verenigen met eveneens diezelfde Universele Verklaring in haar verplichtingen en geboden? Het hoofddoekje en de boerka worden gebruikt als tastbaar en dankbaar discussie-object. Dat veel moslims geen kaas hebben gegeten van godsdienstvrijheid als staatsrechtelijk principe, wordt duidelijk als men ziet dat men de gang naar de rechter en naar de Commissie Gelijke Behandeling wonderwel weet te vinden, en men zich beroept op vrijheden die men in eigen kring aan de eigen leden ontzegt. De rechter en de Commissie moeten moslims dikwijls in het gelijk stellen, zij moeten zich houden aan de Nederlandse wet. Veel Nederlanders reageren allergisch als zij merken dat, om enkele voorbeelden te noemen, een moslim-advocaat weigert op te staan voor een rechter (zijn geloof zou hem dat verbieden), een moslim-man weigert een vrouwelijke minister de hand te schudden (idem), een gesluierde vrouw wel uitkering ontvangt, maar weigert met onbedekt gelaat te solliciteren (idem).
Binnen de Nederlandse politiek en media woedt een discussie over het al dan niet tonen van begrip voor deze op zichzelf genomen onbenullige zaken. Ze zijn niet onbenullig, omdat ze een sterke symboolwerking hebben, namelijk minachting (zo voelen veel Nederlanders dat) voor de Nederlandse cultuur en geschiedenis. Het aantal gesluierde vrouwen is miniem, het krijgen van een hand volstrekt onbelangrijk en de rechter zal zich niet beledigd voelen als een advocaat weigert voor hem op te staan. Het gaat om de symboolwerking: jullie Nederlanders zijn onwetend en moeten je maar aan ons aanpassen, het gaat om ons heilig geloof, trouwens wij zijn ook Nederlanders. De strijd om het begrip hiervoor wordt ook gevoerd door de verschijning van een groot aantal boeken over wat de Islam en de Koran nu eigenlijk inhouden, en het opduiken van vele voorlichtende internetsites. Deze zijn alle bedoeld om begrip te kweken voor de Islam. De boeken en de sites gaan ervan uit dat een Nederlandse onkerkelijke of gelovig-christelijke lezer begrip kan opbrengen voor de vele riten, voorschriften en gebruiken zonder welke men geen goed mens zou kunnen zijn, en die zorgen voor het zielenheil van degene die ze navolgt. De ongelovige zegt dat allemaal niets en hij wil zich er ook niet in verdiepen, omdat hij geen persoonlijk probleem ervaart als hij ze niet kent, laat staan niet navolgt. Hij zal terecht zeggen dat in dit land vrijheid van godsdienst bestaat, en dat de moslim thuis en in de moskee mag doen wat hem goeddunkt, maar dat op het werk, op straat, in de omgangsvormen, in de winkels, op TV, in de restaurants en in het bank- en verzekeringswezen de wetten van ons land gelden en niet die van de Islam.
De aversie tegen landgenoten en immigranten die zich in hun kleding overduidelijk als moslim presenteren, ligt mijns inziens niet in de eerste plaats in de overlast door Marokkaanse jongens in de grote steden, maar vooral ook in het gebrek aan belangstelling die moslims aan de dag leggen voor Nederlandse cultuur, waarden en historie enerzijds, en anderzijds de Islam op een hautaine manier propageren als de grote heilscultuur voor individu en samenleving. Ideeën waarvan men in het westen reeds lang afscheid heeft genomen. Bovendien zien Westerlingen hoe moslims elkaar vermoorden (Sjieten en Soennieten) en in hun landen de niet-moslims het leven zuur maken.
Vandaar dat een hoofddoekjesverbod geen zin heeft. De moslimwereld zal zich door haar nadruk op respect en gezichtsbehoud, beledigd voelen en geen milliseconde nadenken over hoe een dergelijk verbod past binnen een welwillende, Westerse traditie. De jonge schoolgaande meisjes zullen ook hun hakken in het zand zetten, eventueel samen met hun ouders. Een hoofddoekjesverbod werkt polariserend. Ook wanneer zoals in Antwerpen er nog maar één middelbare school is die ze toestaat, moet ze blijven toegestaan. De school die het betreft, doet er beter aan de leerlingen op te voeden tot respect voor Westerse waarden en andere godsdiensten dan de Islam, dan roepen dat ze een “Islamitische school” dreigt te worden als ze het hoofddoekje niet verbiedt.
Het toestaan van hoofddoekjes past in een cultuur waarin de UVRM wordt gerespecteerd, en ook RK religieuzen en orthodoxe Joden hun kledij wordt toegestaan. Een uitkering aan een boerka-draagster moet m.i. worden geweigerd, evenals vrouwen uit banen kunnen worden geweerd waarin het niet-dragen van een hoofddoekje of de boerka, of het geven van een hand, als noodzakelijk wordt gezien voor het uitvoeren van het werk waarvoor men is ingehuurd.
Nederland kent sinds de Verlichting eveneens een intolerante traditie, maar hier was het tonen van godsdienstige tekens en symbolen in de openbare ruimte uitsluitend toegestaan aan protestanten in het midden en noorden van het land, slechts in het zuiden eveneens aan de Rooms-Katholieken. In de tijd die aan de verzuiling voorafging, was de Nederlands Hervormde Kerk de bevoordeelde kerk, d.w.z. hoge ambtenaren moesten Nederlands Hervormd zijn, zelfs de koning (Willem I) bemoeide zich met het opstellen van regels voor deze kerk. Nog tot de grondwetswijziging van 1989 bestond in Nederland het processieverbod voor protestantse gebieden. De Hoge Raad achtte dit in 1962 niet in strijd met het hierboven aangehaalde artikel uit de Universele verklaring van de rechten van de mens, ondanks ook de in de Grondwet verankerde vrijheid van godsdienst.
Ten tijde van de Republiek, toen de Gereformeerde Kerk (de voorloper van de Nederlands-Hervormde kerk en de veelheid van denominaties die wij “protestanten” noemen) een geprivilegieerde positie innam, benaderde ons land het staatskerksysteem. Volgens artikel 36 van de Nederlandse geloofsbelijdenis (1561) was het de taak van de overheid ‘om te weren en uit te roeien alle afgoderij, en valse godsdienst, om het rijk des antichrists te gronde te werpen’. In 1796 werd de scheiding van kerk en staat een feit. De financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs bij de grondwetsherziening van 1917 markeerde het begin van wat de verzuiling is gaan heten. Het betekende dat vier levensbeschouwelijke hoofdstromingen elkaar particulier verketterden, maar in het openbare leven en in het landsbestuur elkaar gedoogden en zelfs samenwerkten. Twee van die stromingen waren religieus (“confessioneel”) van karakter, twee seculier: Rooms-katholiek, protestants, liberaal en socialistisch. De twee seculiere overlapten ook nog eens voor een groot deel de twee confessionele, en binnen de vier waren ook diverse afsplitsingen en varianten te onderkennen.
Vooral de godsdienst bleek een splijtzwam. Orthodoxe dominees gruwden van het rooms katholicisme, en brachten dit over op de geloofsgenoten. Pastoors waren veel milder in hun oordeel over de protestantse orthodoxie, mogelijk vanuit de defensieve houding die zij in Nederland waren gewend aan te nemen tegenover de “officiële godsdienst”, de godsdienst van de watergeuzen en de Oranjes. Het dédain voor het Rooms-Katholicisme dat Willem I aan de dag legde was ook een belangrijke aanleiding tot de afsplitsing van België van Nederland. De tolerante Willem II kon dit niet meer goedmaken. België beschikte over een invloedrijke katholieke elite, die in Nederland lang zo sterk niet was. Deze elite moest weinig hebben van de protestantse machthebbers uit het noorden. Mogelijk vreesden zij ook het respect voor het gewone volk, eigen aan het protestantisme, en machtsverlies van de kerk die hen steeds ondersteunde. Zo heeft de katholieke bevolking in de provincies Limburg en Noord-brabant zich steeds moeten verdedigen en pas na 1917 verwierven de katholieken officieel volledig erkenning.
Sinds de zestiger jaren heeft een gestage afname plaatsgevonden van het gevoel bij een kerk of godsdienst te horen. Volgens het onderzoek Godsdienstige Veranderingen in Nederland (SCP, 2006) blijkt dat in het jaar 2000 62% van de Nederlanders niet verbonden was met een of andere kerk of godsdienst. Dit percentage loopt in 2020 op naar 72%. De Islam echter blijkt jaarlijks te groeien. In 2000 is 5% van de Nederlanders islamitisch. Dit loopt op naar 8% in 2020, een percentage dat nog 4 maal kleiner is dan dat van de christelijke kerken, en 9 maal kleiner dan het percentage onkerkelijken, die zichzelf overigens voor een onbekend, groot deel nog steeds “religieus” blijven noemen.
De Islam, zoals die beleden wordt door de meeste immigranten, verschilt wezenlijk van het christendom, niet alleen qua inhoud, maar ook qua beleving. De Islam komt voort uit de traditie van volkeren waar men zeer sterk op elkaar en op traditie is aangewezen. Familie en lokale overgeleverde gewoonten en gebruiken spelen een grote rol, er wordt sterk gehecht aan de groep waarvan men lid is, en (misschien wel daardoor) “voorkomen van gezichtsverlies” en “respect” zijn er belangrijke waarden. Dat gezicht wordt al snel verloren, want het aantal regels waaraan “men” zich te houden heeft, en die hun oorsprong vinden in de Koran (althans volgens de gangbare interpretaties onder het volk) is groot. Overtreding ligt steeds op de loer. Waarden die respect afdwingen en het groepsgevoel benadrukken, zijn veel sterker dan in Nederland van oudsher het geval was.
Deze islamitische instroom heeft bij binnenkomst en ook lang daarna geen enkel besef van de waarden en de geschiedenis ervan in Nederland. In Nederland worden elkaars godsdiensten, evenals het atheïsme, gerespecteerd, en houdt de staat zich buiten godsdienstige kwesties. In Nederland is men zeker niet gewend aan het opleggen van gedragsregels aan elkaar, behalve in de van oudsher orthodox-protestante dorpen in de Bible Belt. In de meeste Islamitische landen ziet een groot deel van de bevolking de sharia als ideale rechtssysteem, en de overheid als hoeder van de godsdienst, dus precies andersom als in ons land. Een aantal regeringen van die landen modelleert zich graag als Westerse democratie, maar moet wat dat betreft op eieren lopen om zich niet de woede van het volk op de hals te halen. In Irak, Iran en Afghanistan worden bv. verkiezingen gehouden, maar verkiezingen horen niet tot de culturele traditie van die landen, dus eindigen ze steevast in strijd vanwege vervalsingen en fraude, volkomen te goeder trouw begaan door mensen die vinden dat ze de duivel niet mogen helpen door hem de verkiezingen te laten winnen. In Egypte werden tijdens de afgelopen ramadan mensen gearresteerd omdat ze op straat overdag stonden te eten, hoewel in de Egyptische wet (naar westelijk model ingericht) niet staat dat dit verboden is.
In West-Europa wordt gegruwd bij de gedachte dat er door een overheid of geestelijkheid gedragingen worden opgelegd aan de hele bevolking, die gemotiveerd zijn vanuit een bepaalde godsdienst. De Islam wemelt van verplichtingen en verboden, en de overheid wordt geacht een aantal daarvan actief te ondersteunen door wetgeving, het liefst zagen velen in die landen dat de sharia onverkort zou worden aanvaard als de wetgeving van het land. Met name Iran heeft een revolutie doorgemaakt die precies omgekeerd was aan de Franse revolutie. In de Franse revolutie werden de priesters opgeknoopt door ongelovigen, in Iran knoopten de geestelijken de ongelovigen op.
De immigratie door de Islam heeft in West-Europa in het algemeen, en in Nederland in het bijzonder, gezorgd voor heroverweging van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Moet het een godsdienst worden toegestaan zich te uiten, als die godsdienst zich niet kan of wil verenigen met eveneens diezelfde Universele Verklaring in haar verplichtingen en geboden? Het hoofddoekje en de boerka worden gebruikt als tastbaar en dankbaar discussie-object. Dat veel moslims geen kaas hebben gegeten van godsdienstvrijheid als staatsrechtelijk principe, wordt duidelijk als men ziet dat men de gang naar de rechter en naar de Commissie Gelijke Behandeling wonderwel weet te vinden, en men zich beroept op vrijheden die men in eigen kring aan de eigen leden ontzegt. De rechter en de Commissie moeten moslims dikwijls in het gelijk stellen, zij moeten zich houden aan de Nederlandse wet. Veel Nederlanders reageren allergisch als zij merken dat, om enkele voorbeelden te noemen, een moslim-advocaat weigert op te staan voor een rechter (zijn geloof zou hem dat verbieden), een moslim-man weigert een vrouwelijke minister de hand te schudden (idem), een gesluierde vrouw wel uitkering ontvangt, maar weigert met onbedekt gelaat te solliciteren (idem).
Binnen de Nederlandse politiek en media woedt een discussie over het al dan niet tonen van begrip voor deze op zichzelf genomen onbenullige zaken. Ze zijn niet onbenullig, omdat ze een sterke symboolwerking hebben, namelijk minachting (zo voelen veel Nederlanders dat) voor de Nederlandse cultuur en geschiedenis. Het aantal gesluierde vrouwen is miniem, het krijgen van een hand volstrekt onbelangrijk en de rechter zal zich niet beledigd voelen als een advocaat weigert voor hem op te staan. Het gaat om de symboolwerking: jullie Nederlanders zijn onwetend en moeten je maar aan ons aanpassen, het gaat om ons heilig geloof, trouwens wij zijn ook Nederlanders. De strijd om het begrip hiervoor wordt ook gevoerd door de verschijning van een groot aantal boeken over wat de Islam en de Koran nu eigenlijk inhouden, en het opduiken van vele voorlichtende internetsites. Deze zijn alle bedoeld om begrip te kweken voor de Islam. De boeken en de sites gaan ervan uit dat een Nederlandse onkerkelijke of gelovig-christelijke lezer begrip kan opbrengen voor de vele riten, voorschriften en gebruiken zonder welke men geen goed mens zou kunnen zijn, en die zorgen voor het zielenheil van degene die ze navolgt. De ongelovige zegt dat allemaal niets en hij wil zich er ook niet in verdiepen, omdat hij geen persoonlijk probleem ervaart als hij ze niet kent, laat staan niet navolgt. Hij zal terecht zeggen dat in dit land vrijheid van godsdienst bestaat, en dat de moslim thuis en in de moskee mag doen wat hem goeddunkt, maar dat op het werk, op straat, in de omgangsvormen, in de winkels, op TV, in de restaurants en in het bank- en verzekeringswezen de wetten van ons land gelden en niet die van de Islam.
De aversie tegen landgenoten en immigranten die zich in hun kleding overduidelijk als moslim presenteren, ligt mijns inziens niet in de eerste plaats in de overlast door Marokkaanse jongens in de grote steden, maar vooral ook in het gebrek aan belangstelling die moslims aan de dag leggen voor Nederlandse cultuur, waarden en historie enerzijds, en anderzijds de Islam op een hautaine manier propageren als de grote heilscultuur voor individu en samenleving. Ideeën waarvan men in het westen reeds lang afscheid heeft genomen. Bovendien zien Westerlingen hoe moslims elkaar vermoorden (Sjieten en Soennieten) en in hun landen de niet-moslims het leven zuur maken.
Vandaar dat een hoofddoekjesverbod geen zin heeft. De moslimwereld zal zich door haar nadruk op respect en gezichtsbehoud, beledigd voelen en geen milliseconde nadenken over hoe een dergelijk verbod past binnen een welwillende, Westerse traditie. De jonge schoolgaande meisjes zullen ook hun hakken in het zand zetten, eventueel samen met hun ouders. Een hoofddoekjesverbod werkt polariserend. Ook wanneer zoals in Antwerpen er nog maar één middelbare school is die ze toestaat, moet ze blijven toegestaan. De school die het betreft, doet er beter aan de leerlingen op te voeden tot respect voor Westerse waarden en andere godsdiensten dan de Islam, dan roepen dat ze een “Islamitische school” dreigt te worden als ze het hoofddoekje niet verbiedt.
Het toestaan van hoofddoekjes past in een cultuur waarin de UVRM wordt gerespecteerd, en ook RK religieuzen en orthodoxe Joden hun kledij wordt toegestaan. Een uitkering aan een boerka-draagster moet m.i. worden geweigerd, evenals vrouwen uit banen kunnen worden geweerd waarin het niet-dragen van een hoofddoekje of de boerka, of het geven van een hand, als noodzakelijk wordt gezien voor het uitvoeren van het werk waarvoor men is ingehuurd.
Hoofddoekjes en de strijd erom zijn tegelijk ook een wapen in de handen van de algemeen-fundamentele, kosmopolitische stroming in de Islam die de verschillende subculturen in Islamitische landen aan het afzwakken is: overal hetzelfde model hoofddoekje, overal dezelfde jurken en kalotjes voor mannen, overal dezelfde strenge en zo letterlijk mogelijke interpretatie van de Koran. Een verbod van hoofddoekjes werkt deze stroming in de hand, ze wakkert onlustgevoelens en strijd aan en verhindert communicatie.
Tuesday, July 14, 2009
Nogmaals het rookverbod in de horeca.
Andries de Vries uit Lelystad geeft eigenlijk alleen maar argumenten waar je het eens mee kunt zijn. Dat komt omdat hij natuurlijk opgelucht is als niet-roker, en blij is met elke vermindering van rook in zijn omgeving. Roken is slecht dat weet ik ook, en in deze tijd moet alles wat slecht is voor de gezondheid worden teruggedrongen. Neem bv. ook al die mensen met overgewicht, waaronder veel kinderen, en het alcoholprobleem dat van alle tijden schijnt te zijn. Ook moet het autorijden met veiligheidsvoorschriften omgeven worden en moeten we ons houden aan de verkeersregels.
Waar het mij echter, en met mij velen, over de schoenen loopt is de steeds groter wordende bedilzucht van de overheid. Ik schrijf dat toe aan vier dingen, die min of meer met elkaar samenhangen.
1. de golf van privatisering in het recente verleden
2. de steeds toenemende vrees voor aansprakelijkheid bij instanties en organisaties (waaronder de overheden zelf)
3. de toegenomen criminaliteit en oncontroleerbaarheid van grensverkeer en
4. de toegenomen politieke macht van pressiegroepen
Omdat ik roker ben ondervind ik de directe gevolgen van de regelzucht. Verder ben ik ook gastouder voor een jeugd-hulpverleningsinstantie. Daardoor word ik geconfronteerd met vele bezoeken van begeleidende mensen die meer bezig zijn met het invullen van formulieren en het maken van verslagen voor de overheid, dan met hulp-werkzaamheden. Zelf moet ik die verslagen ook invullen. Hetzelfde zie ik ook bij de instelling waar mijn verstandelijk gehandicapte broer woont. Aanleiding hiertoe zijn enkele voorvallen uit het verleden waarover nogal wat te doen is geweest in de politiek, en dus worden er nieuwe verantwoordingsregels gecreëerd.
Nu moeten we straks allemaal vingerafdrukken afstaan als we een paspoort aanvragen, die komen in een gigantische databank. Gelukkig zijn hier al juristen in het geweer gekomen. Op mijn werk, een HBO-instelling, worden we helemaal doodgeregeld. Docent ben je niet meer, je bent onderwijskundig medewerker (de woorden van een staatssecretaris). Als je vindt dat een werkstuk een 5 waard is en geen 6, moet je dat uitgebreid verantwoorden met procedures waar de student recht op heeft. Dus moeten de beoordelingen worden ingevuld op grote lijsten met nauw sluitende, gedetailleerde criteria, zogenaamde “scoring rubrics”. Niemand van mijn collega’s volgt die nauwgezet, omdat je dan een dubbele dagtaak hebt. Verantwoording geschiedt dan noodgedwongen achteraf als het nodig is.
We zien het ook in de taxiwereld. Ook daar wordt nu geroepen om meer en strengere regels, nadat het taxi-wezen eerst was geprivatiseerd, dwz aan de marktwerking overgelaten.
Kortom, nadat in de vijftiger en zestiger jaren de overheid, de vakbonden in de SER en enkele zeer grote (staats)bedrijven degenen waren die in dit land de lakens uitdeelden, is deze macht nu versnipperd over velen dankzij de privatisering en de pers die breed alle kleine en grote misstanden als rode-orenverhalen uitmeet. Nu geen krachtdadige overheid meer maar een parlement dat schijnt te bestaan bij gratie van de vele, vele vragen die individuele kamerleden stellen over wat er nu weer voor ergs is gebeurd. De vroegere pressiegroepen, die toendertijd als vervelende luizen in de pels werden gezien, zijn nu evenwaardig geworden aan de vele organen en instanties die de overheid als adviseur dienen. Zo ook de anti-rooklobby, die nu dus het horeca-rookverbod erdoor heeft gekregen. Rokers worden nu gezien als meelijwekkende verslaafden die hier en daar nog een hoekje mogen hebben, zelfs op de stations dienen zij zich in de open lucht te scharen rond speciale asbakken, zodat de rookhaters weten dat ze daar niet moeten komen.
Privatisering oké, maar de overheid blijft wel verantwoordelijk voor het welzijn van de burgers. Vandaar de berg regels die over ons wordt uitgestort, want de verzelfstandigde scholen, ziekenhuizen, zorg-instellingen en vervoersbedrijven moeten wel blijven doen waarvoor ze bestaan, en wel zo dat de rijken niet worden bevoordeeld. We krijgen dus nog meer regels, en nog meer medewerkers die daar formulieren en verslagen voor moeten invullen. Bestaande medewerkers let wel, want er mogen er niet meer bijkomen want dat is natuurlijk te duur. Daarnaast krijgt ook de individuele burger de regels voor zijn kiezen, want we moeten met ons allen gezonder gaan leven en er mogen niet teveel criminelen en illegalen het land binnenkomen. Het opengooien van grenzen dient de marktwerking, maar de ongewenste neven-effecten moeten met regels worden gedicht waar we allemaal last van hebben.
De regels die er van oudsher zijn blijven natuurlijk van kracht, zelden wordt er een regel afgeschaft. De regel die het roken verbiedt in alle horecagelegenheden heeft ertoe geleid dat ik alleen maar in een café of restaurant kom als dat niet anders kan, net zoals vroeger de niet-roker dat deed, en wat ik zie zijn verontschuldigende gezichten en opmerkingen van de horeca-eigenaar, die van alles doet om het “leed” te verzachten. Ik zie nog steeds niet in waarom een horeca-baas die geen personeel heeft, desalniettemin toch een rookverbod moet hebben in zijn café, uit concurrentie-overwegingen? Kom nou, dat is toch tegen de marktwerking?
Ik pleit niet voor een terugkeer naar een sterke alles omvattende overheid, met cafés en huiskamers die blauw stonden van de rook. Dat ik op school niet mag roken is alleszins begrijpelijk, ik ken de situatie van rokende leraren maar al te goed. Maar of het nu zó moet, dat is vragen om burgerlijke ongehoorzaamheid.
Tot slot nog twee voorbeelden van regels die zijn afgeschaft die ik mij voor de geest kan halen:
Uit de standaard-algemene politieverordening is sinds zo’n 25 jaar afgeschaft de regel dat paarden niet zichtbaar vanaf de openbare weg de liefde mogen bedrijven en ook is afgeschaft het verbod op religieuze processies buiten de traditioneel-katholieke provincies (zodat in Dokkum de Bonifatiusprocessie gehouden kan worden en de “stille omgang” in Amsterdam niet meer als een zwijgende stoet ’s nachts zonder enig vertoon hoeft plaats te vinden. Ik zou zeggen: noem mij eens een afgeschafte regel, waar heel veel mensen wat aan hebben, en die niet vervangen is door nieuwe regels die minstens even hinderlijk zijn. Misschien zijn die te vinden, maar het is zoeken als naar een regel in de Verzameling Koninklijke Besluiten.
Waar het mij echter, en met mij velen, over de schoenen loopt is de steeds groter wordende bedilzucht van de overheid. Ik schrijf dat toe aan vier dingen, die min of meer met elkaar samenhangen.
1. de golf van privatisering in het recente verleden
2. de steeds toenemende vrees voor aansprakelijkheid bij instanties en organisaties (waaronder de overheden zelf)
3. de toegenomen criminaliteit en oncontroleerbaarheid van grensverkeer en
4. de toegenomen politieke macht van pressiegroepen
Omdat ik roker ben ondervind ik de directe gevolgen van de regelzucht. Verder ben ik ook gastouder voor een jeugd-hulpverleningsinstantie. Daardoor word ik geconfronteerd met vele bezoeken van begeleidende mensen die meer bezig zijn met het invullen van formulieren en het maken van verslagen voor de overheid, dan met hulp-werkzaamheden. Zelf moet ik die verslagen ook invullen. Hetzelfde zie ik ook bij de instelling waar mijn verstandelijk gehandicapte broer woont. Aanleiding hiertoe zijn enkele voorvallen uit het verleden waarover nogal wat te doen is geweest in de politiek, en dus worden er nieuwe verantwoordingsregels gecreëerd.
Nu moeten we straks allemaal vingerafdrukken afstaan als we een paspoort aanvragen, die komen in een gigantische databank. Gelukkig zijn hier al juristen in het geweer gekomen. Op mijn werk, een HBO-instelling, worden we helemaal doodgeregeld. Docent ben je niet meer, je bent onderwijskundig medewerker (de woorden van een staatssecretaris). Als je vindt dat een werkstuk een 5 waard is en geen 6, moet je dat uitgebreid verantwoorden met procedures waar de student recht op heeft. Dus moeten de beoordelingen worden ingevuld op grote lijsten met nauw sluitende, gedetailleerde criteria, zogenaamde “scoring rubrics”. Niemand van mijn collega’s volgt die nauwgezet, omdat je dan een dubbele dagtaak hebt. Verantwoording geschiedt dan noodgedwongen achteraf als het nodig is.
We zien het ook in de taxiwereld. Ook daar wordt nu geroepen om meer en strengere regels, nadat het taxi-wezen eerst was geprivatiseerd, dwz aan de marktwerking overgelaten.
Kortom, nadat in de vijftiger en zestiger jaren de overheid, de vakbonden in de SER en enkele zeer grote (staats)bedrijven degenen waren die in dit land de lakens uitdeelden, is deze macht nu versnipperd over velen dankzij de privatisering en de pers die breed alle kleine en grote misstanden als rode-orenverhalen uitmeet. Nu geen krachtdadige overheid meer maar een parlement dat schijnt te bestaan bij gratie van de vele, vele vragen die individuele kamerleden stellen over wat er nu weer voor ergs is gebeurd. De vroegere pressiegroepen, die toendertijd als vervelende luizen in de pels werden gezien, zijn nu evenwaardig geworden aan de vele organen en instanties die de overheid als adviseur dienen. Zo ook de anti-rooklobby, die nu dus het horeca-rookverbod erdoor heeft gekregen. Rokers worden nu gezien als meelijwekkende verslaafden die hier en daar nog een hoekje mogen hebben, zelfs op de stations dienen zij zich in de open lucht te scharen rond speciale asbakken, zodat de rookhaters weten dat ze daar niet moeten komen.
Privatisering oké, maar de overheid blijft wel verantwoordelijk voor het welzijn van de burgers. Vandaar de berg regels die over ons wordt uitgestort, want de verzelfstandigde scholen, ziekenhuizen, zorg-instellingen en vervoersbedrijven moeten wel blijven doen waarvoor ze bestaan, en wel zo dat de rijken niet worden bevoordeeld. We krijgen dus nog meer regels, en nog meer medewerkers die daar formulieren en verslagen voor moeten invullen. Bestaande medewerkers let wel, want er mogen er niet meer bijkomen want dat is natuurlijk te duur. Daarnaast krijgt ook de individuele burger de regels voor zijn kiezen, want we moeten met ons allen gezonder gaan leven en er mogen niet teveel criminelen en illegalen het land binnenkomen. Het opengooien van grenzen dient de marktwerking, maar de ongewenste neven-effecten moeten met regels worden gedicht waar we allemaal last van hebben.
De regels die er van oudsher zijn blijven natuurlijk van kracht, zelden wordt er een regel afgeschaft. De regel die het roken verbiedt in alle horecagelegenheden heeft ertoe geleid dat ik alleen maar in een café of restaurant kom als dat niet anders kan, net zoals vroeger de niet-roker dat deed, en wat ik zie zijn verontschuldigende gezichten en opmerkingen van de horeca-eigenaar, die van alles doet om het “leed” te verzachten. Ik zie nog steeds niet in waarom een horeca-baas die geen personeel heeft, desalniettemin toch een rookverbod moet hebben in zijn café, uit concurrentie-overwegingen? Kom nou, dat is toch tegen de marktwerking?
Ik pleit niet voor een terugkeer naar een sterke alles omvattende overheid, met cafés en huiskamers die blauw stonden van de rook. Dat ik op school niet mag roken is alleszins begrijpelijk, ik ken de situatie van rokende leraren maar al te goed. Maar of het nu zó moet, dat is vragen om burgerlijke ongehoorzaamheid.
Tot slot nog twee voorbeelden van regels die zijn afgeschaft die ik mij voor de geest kan halen:
Uit de standaard-algemene politieverordening is sinds zo’n 25 jaar afgeschaft de regel dat paarden niet zichtbaar vanaf de openbare weg de liefde mogen bedrijven en ook is afgeschaft het verbod op religieuze processies buiten de traditioneel-katholieke provincies (zodat in Dokkum de Bonifatiusprocessie gehouden kan worden en de “stille omgang” in Amsterdam niet meer als een zwijgende stoet ’s nachts zonder enig vertoon hoeft plaats te vinden. Ik zou zeggen: noem mij eens een afgeschafte regel, waar heel veel mensen wat aan hebben, en die niet vervangen is door nieuwe regels die minstens even hinderlijk zijn. Misschien zijn die te vinden, maar het is zoeken als naar een regel in de Verzameling Koninklijke Besluiten.
Het rookverbod in de horeca: een zegen voor een ieder…
Andries de Vries wilde reageren op mijn artikel over het rookverbod in de horeca, maar zijn bijdrage werd geweigerd omdat het te lang was. Vandaar dat hem hier opneem. Ik ben nog aan het schrijven om hem van repliek te dienen.
Toen op 1 juli 2008 het rookverbod in de horeca van kracht werd, haalde ik opgelucht adem. Wat fijn. Eindelijk horeca-gelegenheden bezoeken zonder last te hebben van die hinderlijke tabaksrook.Dat er verzet was en zou zijn, heeft me niet verbaasd. Ook niet dat die komt uit de hoek van de kleine horeca en met name de café’s op de hoek. Vaak zonder personeel. Is het dan niet betuttelend van de overheid om een algeheel rookverbod in te voeren, waardoor deze kleine horeca-ondernemers onevenredig hard getroffen worden? Ik vind van niet.De werknemersAls het gaat om de bescherming van werknemers, had het rookverbod helemaal niet ingevoerd hoeven te worden. Op grond van het Burgerlijk Wetboek dient een werkgever te zorgen voor een arbeidsplaats die geen nadelige invloed heeft op de gezondheid van de werknemer. Als hij daarin niet slaagt en de werknemer leidt schade bij de uitvoering van zijn werkzaamheden, is de werkgever aansprakelijk voor deze schade.Wellicht rookt de werknemer in de horeca zelf. Maar ook als hij als roker even niet rookt, wordt hij blootgesteld aan schadelijke stoffen, omdat hij voortdurend werkt in een ruimte waar gerookt wordt. De Arbowet gebiedt de werkgever maatregelen te nemen die gericht zijn op de bron van het risico. In dit geval het wegnemen van schadelijke tabaksrook. Dat betekent de werknemer laten werken in een ruimte waar die stof zich niet bevindt. Simpel gezegd: niet roken in ruimtes waar horeca-medewerkers werken.Nu is de horeca in de aanloop naar het rookverbod creatief geweest. Ze creëerde ruimten waar wel en ruimten waar niet gerookt mocht worden. Werknemers dienden echter wel de rommel van de gasten in de rookruimten op te ruimen. Dus sluitend was deze maatregel niet. Het rookverbod helpt de werkgevers in de horeca om aan de eisen van de Arbowet te voldoen en dit in een periode, waarin de overheid stelt dat werkgevers en werknemers dit beter zelf samen hadden kunnen oplossen. Op dit punt kunnen zij dit niet en dus helpt de overheid een handje.Nu kun je zeggen dat je kunt weten, als je in de horeca gaat werken, dat je met tabaksrook te maken krijgt. Maar dat is een argument dat geen hout snijdt. Een directeur van een ICT-bedrijf zei eens tegen mij dat, als je niet tegen RSI kunt, je beter niet in de ICT kunt gaan werken. Een gekke opmerking als je weet dat langer dan 5,5 uur beeldschermwerk per dag schadelijk is voor de gezondheid en veel mensen met RSI-gerelateerde klachten in de WAO/WIA zitten. Een oplossing voor het voorkomen van gezondheidsschade is simpel: niet meer dan 5,5 uur beeldschermwerk per dag en regelmatig op tijd pauzes inlassen.Roken en meeroken schaadt de gezondheid. Moet je daarom maar stellen dat je dat als (meestal jonge) werknemer die in de horeca gaat werken had kunnen weten? Nee. Juist deze werknemers dienen daartegen beschermd te worden. Dat is geen betutteling, maar verantwoording nemen.Wat dacht je van deelname aan het verkeer. Dat is, zie de cijfers, een riskante bezigheid. Daarom rijden we ook in auto’s die goed beschermd c.q. beveiligd zijn. Hebben we een prima systeem van regels, waaraan iedere verkeersdeelnemer zich dient te houden. Maar waarom gaat het vaak op fatale wijze mis? Om dat laatste: het niet houden aan de regels en het eigen vermogen overschatten. De Wegenverkeerswet is geen betutteling, maar bittere noodzaak, omdat de regel: “we lossen het samen wel op” in het verkeer niet werkt. En dat doet het in de horeca ook niet.Het rookverbod is niet betuttelend. Het laat zien dat de overheid een stap zet, die betrokken partijen niet durven te zetten, terwijl ze dat wel zouden moeten doen. Het rookverbod toont een moedige overheid en daar is altijd verzet tegen.En de gasten dan?Als rokende gast word ik belemmerd door het rookverbod. Het is een belemmering in mijn vrijheid om te roken op een plek waar ik gastvrijheid geniet. Als niet-rokende gast word ik belemmerd in mijn genieten van gastvrijheid als ik voortdurend wordt geconfronteerd met de tabaksrook van anderen. Dat geldt niet alleen voor café’s, maar ook voor restaurants en hotels.De grenzen van de gastvrijheid worden bepaald door de gastheer. Wie horeca bedrijft, stelt zijn private domein beschikbaar als publieke ruimte. Daarmee is de overheid mede gastheer geworden en is het rookverbod niet alleen een regel ter bescherming van de werknemer, maar ook een zaak van de volksgezondheid. Een overheid mag regels stellen die gelden tot in het publieke domein van de private ondernemer. Niet in zijn woonhuis, maar wel tot in zijn drinklokaal.Ik heb vaak horeca-ondernemers horen mopperen over de dalende omzet als gevolg van het rookverbod. Als dat werkelijk zo is, dient de overheid na te denken over compensatie. Maar ik denk vaker dat, als je failliet dreigt te gaan als gevolg van het rookverbod, je je beter kunt afvragen of je bedrijf in zijn huidige hoedanigheid wel bestaansrecht heeft. Het succesvol runnen van een horeca-bedrijf valt of staat toch niet bij het wel of niet mogen roken?
Andries de VriesLelystad, 13 juli 2009
Toen op 1 juli 2008 het rookverbod in de horeca van kracht werd, haalde ik opgelucht adem. Wat fijn. Eindelijk horeca-gelegenheden bezoeken zonder last te hebben van die hinderlijke tabaksrook.Dat er verzet was en zou zijn, heeft me niet verbaasd. Ook niet dat die komt uit de hoek van de kleine horeca en met name de café’s op de hoek. Vaak zonder personeel. Is het dan niet betuttelend van de overheid om een algeheel rookverbod in te voeren, waardoor deze kleine horeca-ondernemers onevenredig hard getroffen worden? Ik vind van niet.De werknemersAls het gaat om de bescherming van werknemers, had het rookverbod helemaal niet ingevoerd hoeven te worden. Op grond van het Burgerlijk Wetboek dient een werkgever te zorgen voor een arbeidsplaats die geen nadelige invloed heeft op de gezondheid van de werknemer. Als hij daarin niet slaagt en de werknemer leidt schade bij de uitvoering van zijn werkzaamheden, is de werkgever aansprakelijk voor deze schade.Wellicht rookt de werknemer in de horeca zelf. Maar ook als hij als roker even niet rookt, wordt hij blootgesteld aan schadelijke stoffen, omdat hij voortdurend werkt in een ruimte waar gerookt wordt. De Arbowet gebiedt de werkgever maatregelen te nemen die gericht zijn op de bron van het risico. In dit geval het wegnemen van schadelijke tabaksrook. Dat betekent de werknemer laten werken in een ruimte waar die stof zich niet bevindt. Simpel gezegd: niet roken in ruimtes waar horeca-medewerkers werken.Nu is de horeca in de aanloop naar het rookverbod creatief geweest. Ze creëerde ruimten waar wel en ruimten waar niet gerookt mocht worden. Werknemers dienden echter wel de rommel van de gasten in de rookruimten op te ruimen. Dus sluitend was deze maatregel niet. Het rookverbod helpt de werkgevers in de horeca om aan de eisen van de Arbowet te voldoen en dit in een periode, waarin de overheid stelt dat werkgevers en werknemers dit beter zelf samen hadden kunnen oplossen. Op dit punt kunnen zij dit niet en dus helpt de overheid een handje.Nu kun je zeggen dat je kunt weten, als je in de horeca gaat werken, dat je met tabaksrook te maken krijgt. Maar dat is een argument dat geen hout snijdt. Een directeur van een ICT-bedrijf zei eens tegen mij dat, als je niet tegen RSI kunt, je beter niet in de ICT kunt gaan werken. Een gekke opmerking als je weet dat langer dan 5,5 uur beeldschermwerk per dag schadelijk is voor de gezondheid en veel mensen met RSI-gerelateerde klachten in de WAO/WIA zitten. Een oplossing voor het voorkomen van gezondheidsschade is simpel: niet meer dan 5,5 uur beeldschermwerk per dag en regelmatig op tijd pauzes inlassen.Roken en meeroken schaadt de gezondheid. Moet je daarom maar stellen dat je dat als (meestal jonge) werknemer die in de horeca gaat werken had kunnen weten? Nee. Juist deze werknemers dienen daartegen beschermd te worden. Dat is geen betutteling, maar verantwoording nemen.Wat dacht je van deelname aan het verkeer. Dat is, zie de cijfers, een riskante bezigheid. Daarom rijden we ook in auto’s die goed beschermd c.q. beveiligd zijn. Hebben we een prima systeem van regels, waaraan iedere verkeersdeelnemer zich dient te houden. Maar waarom gaat het vaak op fatale wijze mis? Om dat laatste: het niet houden aan de regels en het eigen vermogen overschatten. De Wegenverkeerswet is geen betutteling, maar bittere noodzaak, omdat de regel: “we lossen het samen wel op” in het verkeer niet werkt. En dat doet het in de horeca ook niet.Het rookverbod is niet betuttelend. Het laat zien dat de overheid een stap zet, die betrokken partijen niet durven te zetten, terwijl ze dat wel zouden moeten doen. Het rookverbod toont een moedige overheid en daar is altijd verzet tegen.En de gasten dan?Als rokende gast word ik belemmerd door het rookverbod. Het is een belemmering in mijn vrijheid om te roken op een plek waar ik gastvrijheid geniet. Als niet-rokende gast word ik belemmerd in mijn genieten van gastvrijheid als ik voortdurend wordt geconfronteerd met de tabaksrook van anderen. Dat geldt niet alleen voor café’s, maar ook voor restaurants en hotels.De grenzen van de gastvrijheid worden bepaald door de gastheer. Wie horeca bedrijft, stelt zijn private domein beschikbaar als publieke ruimte. Daarmee is de overheid mede gastheer geworden en is het rookverbod niet alleen een regel ter bescherming van de werknemer, maar ook een zaak van de volksgezondheid. Een overheid mag regels stellen die gelden tot in het publieke domein van de private ondernemer. Niet in zijn woonhuis, maar wel tot in zijn drinklokaal.Ik heb vaak horeca-ondernemers horen mopperen over de dalende omzet als gevolg van het rookverbod. Als dat werkelijk zo is, dient de overheid na te denken over compensatie. Maar ik denk vaker dat, als je failliet dreigt te gaan als gevolg van het rookverbod, je je beter kunt afvragen of je bedrijf in zijn huidige hoedanigheid wel bestaansrecht heeft. Het succesvol runnen van een horeca-bedrijf valt of staat toch niet bij het wel of niet mogen roken?
Andries de VriesLelystad, 13 juli 2009
Thursday, May 28, 2009
Freedom of Speech
At this moment a disussion is going on in the Netherlands about freedom of speech. Geert Wilders is being prosecuted (not convicted yet) because of “sowing hatred” between people, among others by his statement that the Quran is comparable to the autobiography of Hitler, a forbidden book in the Netherlands. At the same time, the leader of the liberal party Mark Rutten states that offending religious feelings and denying the holocaust must be possible without legal punishment. People from religious circles find that freedom of speech is of course an important value, codified in the constitution, but not at all prices.
It’s remarkable that Christian advocates of limitation of free speech always accuse the libertarians of being selective: freedom of speech for everybody who wants to offend religious feelings, but no freedom of speech for those who criticize Western values, such as imams and those who preach “war against the enemies of Islam”. I can’t understand this, because the libertarians are against those who want to limit freedom of speech, so it’s logical that they also try to limit the power and influence of those who want to limit it. Is there a fundamental difference between the two parties in their mindset of the world?
Anyway, saying something in public or writing or drawing things that go against deeply felt values of people is always unpleasant for those who adhere to the attacked values. In our country we have always accepted this more or less. In our country we know that we are a people with different values. Take the view on homosexuality. Those who are “against” homosexual manifestations and claim that homosexuals are not “normal” people but sinners trespassing natural and God’s laws, are continuously offended by what they see around them. They live in a “bad and sinful world”.
There’s a general law that everybody thinking a bit rational must agree with and that is the rule “don’t do to others what you don’t want others do to you”. In the present discussion, this rule is jeopardized. The rule seems reasonable and fair, but just apply it to the parties in this discussion: Mark Rutten doesn’t want to be muzzled by religious opinion leaders, but he wants to muzzle them. Why? Because he sees and hears how these others want to muzzle everybody who will criticize or offend their religious values. Most Muslim countries don’t have our separation between church and state, Islam is a “state religion”, and we can be sure that if Muslims get the power in the Netherlands, they will abandon this separation. It’s a matter of principle. We see also how a famous cabaret performer on TV offends Jesus on the cross and mocks with him just like the Roman soldiers. It was the first time in my life I felt feelings of disgust. I’m sure that if he would have been prosecuted, just like Geert Wilders, for “sowing hatred”, masses of fans would protest against this crying that there’s freedom of speech. But the cabaret performer is not prosecuted, because he doesn’t sow hatred, Christians are not allowed to hate.
So I don’t think we should legally prosecute people like Geert Wilders. Why should we do so only when the Islam is the offended religion? We should treat Islam just the same way as we treat other religions. When we are going to use the Muslim muzzling methods, then we are doing just the things Geert Wilders and Mark Rutten are warning for.
Another option is to also prosecute the cabaret performer mocking the holy cross, and get more strict in pursuing the goal of our constitution. This constition also says “there is freedom of speech within the limits of everybody’s responsibility towards the law”. There are many articles in the law that prohibit slander and defamation. Let’s just apply these rules more consistently. Our hesitation to apply these rules has been hindered by the jurisprudence of the last 50 years in which room was created for a more ample application of the concept of freedom of speech. But offending remains an intolerable act.
It’s remarkable that Christian advocates of limitation of free speech always accuse the libertarians of being selective: freedom of speech for everybody who wants to offend religious feelings, but no freedom of speech for those who criticize Western values, such as imams and those who preach “war against the enemies of Islam”. I can’t understand this, because the libertarians are against those who want to limit freedom of speech, so it’s logical that they also try to limit the power and influence of those who want to limit it. Is there a fundamental difference between the two parties in their mindset of the world?
Anyway, saying something in public or writing or drawing things that go against deeply felt values of people is always unpleasant for those who adhere to the attacked values. In our country we have always accepted this more or less. In our country we know that we are a people with different values. Take the view on homosexuality. Those who are “against” homosexual manifestations and claim that homosexuals are not “normal” people but sinners trespassing natural and God’s laws, are continuously offended by what they see around them. They live in a “bad and sinful world”.
There’s a general law that everybody thinking a bit rational must agree with and that is the rule “don’t do to others what you don’t want others do to you”. In the present discussion, this rule is jeopardized. The rule seems reasonable and fair, but just apply it to the parties in this discussion: Mark Rutten doesn’t want to be muzzled by religious opinion leaders, but he wants to muzzle them. Why? Because he sees and hears how these others want to muzzle everybody who will criticize or offend their religious values. Most Muslim countries don’t have our separation between church and state, Islam is a “state religion”, and we can be sure that if Muslims get the power in the Netherlands, they will abandon this separation. It’s a matter of principle. We see also how a famous cabaret performer on TV offends Jesus on the cross and mocks with him just like the Roman soldiers. It was the first time in my life I felt feelings of disgust. I’m sure that if he would have been prosecuted, just like Geert Wilders, for “sowing hatred”, masses of fans would protest against this crying that there’s freedom of speech. But the cabaret performer is not prosecuted, because he doesn’t sow hatred, Christians are not allowed to hate.
So I don’t think we should legally prosecute people like Geert Wilders. Why should we do so only when the Islam is the offended religion? We should treat Islam just the same way as we treat other religions. When we are going to use the Muslim muzzling methods, then we are doing just the things Geert Wilders and Mark Rutten are warning for.
Another option is to also prosecute the cabaret performer mocking the holy cross, and get more strict in pursuing the goal of our constitution. This constition also says “there is freedom of speech within the limits of everybody’s responsibility towards the law”. There are many articles in the law that prohibit slander and defamation. Let’s just apply these rules more consistently. Our hesitation to apply these rules has been hindered by the jurisprudence of the last 50 years in which room was created for a more ample application of the concept of freedom of speech. But offending remains an intolerable act.
Subscribe to:
Posts (Atom)
