Tuesday, September 29, 2009

Hoofddoekjes en boerka's: onbenullig of belangrijk?




Dit is de eerste van een reeks korte opstellen waarin overeenkomsten en verschillen tussen enerzijds de christelijk-liberale Nederlandse cultuur, en anderzijds de Islamitisch-theocratische moslimcultuur worden belicht.


Ter toelichting op de titel: in de pers maar ook in de literatuur (bv. Joris Luyendijk in zijn boek "Tipje van de sluier") wordt betwist dat er een "Nederlandse" of een "Islamitische" cultuur zou bestaan. Natuurlijk zijn er binnen de Islam en binnen Nederland verschillende culturen te onderscheiden, maar al die culturen en subculturen hebben toch elementen die hen tot één nationale c.q. internationale cultuursamenbinden. In een van de volgende bijdragen kom ik daar op terug.


De vrijheid van godsdienst is een beginsel dat de vrijheid van een individu of gemeenschap ondersteunt om haar of zijn godsdienst of levensovertuiging te uiten in onderwijs, handelingen, eredienst en en voorschriften. (Artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens). Het hoofddoekje is in een aantal Europese landen en Turkije zelf een heet hangijzer geworden. Een hangijzer, omdat hier een concreet en tastbaar onderwerp voorhanden is om te “getuigen”. Des te meer geldt dit natuurlijk voor de boerka. Volgens het bovengenoemd artikel is iedereen vrij om een hoofddoekje of boerka te dragen, toch levert het blijkbaar problemen op in landen die van oudsher bekend staan om hun tolerantie voor de diverse godsdiensten. In België bijnvoorbeeld is het hoofddoekje onderwerp van politieke en maatschappelijke discussie, terwijl de lange rokken van de pastoors en de hoeden en vlechten van orthodoxe Joden daar nooit een probleem waren. Voor België en Frankrijk betekent “scheiding van Kerk en Staat” en “godsdienstvrijheid” dat de openbare ruimte vrij zou moeten zijn van godsdienstige uitingen. Dat is dus niet overeenkomstig de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, en bovendien inconsequent want tot de massale immigratie van moslims gold dit blijkbaar niet voor priesters en orthodoxe Joden.
Nederland kent sinds de Verlichting eveneens een intolerante traditie, maar hier was het tonen van godsdienstige tekens en symbolen in de openbare ruimte uitsluitend toegestaan aan protestanten in het midden en noorden van het land, slechts in het zuiden eveneens aan de Rooms-Katholieken. In de tijd die aan de verzuiling voorafging, was de Nederlands Hervormde Kerk de bevoordeelde kerk, d.w.z. hoge ambtenaren moesten Nederlands Hervormd zijn, zelfs de koning (Willem I) bemoeide zich met het opstellen van regels voor deze kerk. Nog tot de grondwetswijziging van 1989 bestond in Nederland het processieverbod voor protestantse gebieden. De Hoge Raad achtte dit in 1962 niet in strijd met het hierboven aangehaalde artikel uit de Universele verklaring van de rechten van de mens, ondanks ook de in de Grondwet verankerde vrijheid van godsdienst.
Ten tijde van de Republiek, toen de Gereformeerde Kerk (de voorloper van de Nederlands-Hervormde kerk en de veelheid van denominaties die wij “protestanten” noemen) een geprivilegieerde positie innam, benaderde ons land het staatskerksysteem. Volgens artikel 36 van de Nederlandse geloofsbelijdenis (1561) was het de taak van de overheid ‘om te weren en uit te roeien alle afgoderij, en valse godsdienst, om het rijk des antichrists te gronde te werpen’. In 1796 werd de scheiding van kerk en staat een feit. De financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs bij de grondwetsherziening van 1917 markeerde het begin van wat de verzuiling is gaan heten. Het betekende dat vier levensbeschouwelijke hoofdstromingen elkaar particulier verketterden, maar in het openbare leven en in het landsbestuur elkaar gedoogden en zelfs samenwerkten. Twee van die stromingen waren religieus (“confessioneel”) van karakter, twee seculier: Rooms-katholiek, protestants, liberaal en socialistisch. De twee seculiere overlapten ook nog eens voor een groot deel de twee confessionele, en binnen de vier waren ook diverse afsplitsingen en varianten te onderkennen.
Vooral de godsdienst bleek een splijtzwam. Orthodoxe dominees gruwden van het rooms katholicisme, en brachten dit over op de geloofsgenoten. Pastoors waren veel milder in hun oordeel over de protestantse orthodoxie, mogelijk vanuit de defensieve houding die zij in Nederland waren gewend aan te nemen tegenover de “officiële godsdienst”, de godsdienst van de watergeuzen en de Oranjes. Het dédain voor het Rooms-Katholicisme dat Willem I aan de dag legde was ook een belangrijke aanleiding tot de afsplitsing van België van Nederland. De tolerante Willem II kon dit niet meer goedmaken. België beschikte over een invloedrijke katholieke elite, die in Nederland lang zo sterk niet was. Deze elite moest weinig hebben van de protestantse machthebbers uit het noorden. Mogelijk vreesden zij ook het respect voor het gewone volk, eigen aan het protestantisme, en machtsverlies van de kerk die hen steeds ondersteunde. Zo heeft de katholieke bevolking in de provincies Limburg en Noord-brabant zich steeds moeten verdedigen en pas na 1917 verwierven de katholieken officieel volledig erkenning.
Sinds de zestiger jaren heeft een gestage afname plaatsgevonden van het gevoel bij een kerk of godsdienst te horen. Volgens het onderzoek Godsdienstige Veranderingen in Nederland (SCP, 2006) blijkt dat in het jaar 2000 62% van de Nederlanders niet verbonden was met een of andere kerk of godsdienst. Dit percentage loopt in 2020 op naar 72%. De Islam echter blijkt jaarlijks te groeien. In 2000 is 5% van de Nederlanders islamitisch. Dit loopt op naar 8% in 2020, een percentage dat nog 4 maal kleiner is dan dat van de christelijke kerken, en 9 maal kleiner dan het percentage onkerkelijken, die zichzelf overigens voor een onbekend, groot deel nog steeds “religieus” blijven noemen.
De Islam, zoals die beleden wordt door de meeste immigranten, verschilt wezenlijk van het christendom, niet alleen qua inhoud, maar ook qua beleving. De Islam komt voort uit de traditie van volkeren waar men zeer sterk op elkaar en op traditie is aangewezen. Familie en lokale overgeleverde gewoonten en gebruiken spelen een grote rol, er wordt sterk gehecht aan de groep waarvan men lid is, en (misschien wel daardoor) “voorkomen van gezichtsverlies” en “respect” zijn er belangrijke waarden. Dat gezicht wordt al snel verloren, want het aantal regels waaraan “men” zich te houden heeft, en die hun oorsprong vinden in de Koran (althans volgens de gangbare interpretaties onder het volk) is groot. Overtreding ligt steeds op de loer. Waarden die respect afdwingen en het groepsgevoel benadrukken, zijn veel sterker dan in Nederland van oudsher het geval was.
Deze islamitische instroom heeft bij binnenkomst en ook lang daarna geen enkel besef van de waarden en de geschiedenis ervan in Nederland. In Nederland worden elkaars godsdiensten, evenals het atheïsme, gerespecteerd, en houdt de staat zich buiten godsdienstige kwesties. In Nederland is men zeker niet gewend aan het opleggen van gedragsregels aan elkaar, behalve in de van oudsher orthodox-protestante dorpen in de Bible Belt. In de meeste Islamitische landen ziet een groot deel van de bevolking de sharia als ideale rechtssysteem, en de overheid als hoeder van de godsdienst, dus precies andersom als in ons land. Een aantal regeringen van die landen modelleert zich graag als Westerse democratie, maar moet wat dat betreft op eieren lopen om zich niet de woede van het volk op de hals te halen. In Irak, Iran en Afghanistan worden bv. verkiezingen gehouden, maar verkiezingen horen niet tot de culturele traditie van die landen, dus eindigen ze steevast in strijd vanwege vervalsingen en fraude, volkomen te goeder trouw begaan door mensen die vinden dat ze de duivel niet mogen helpen door hem de verkiezingen te laten winnen. In Egypte werden tijdens de afgelopen ramadan mensen gearresteerd omdat ze op straat overdag stonden te eten, hoewel in de Egyptische wet (naar westelijk model ingericht) niet staat dat dit verboden is.
In West-Europa wordt gegruwd bij de gedachte dat er door een overheid of geestelijkheid gedragingen worden opgelegd aan de hele bevolking, die gemotiveerd zijn vanuit een bepaalde godsdienst. De Islam wemelt van verplichtingen en verboden, en de overheid wordt geacht een aantal daarvan actief te ondersteunen door wetgeving, het liefst zagen velen in die landen dat de sharia onverkort zou worden aanvaard als de wetgeving van het land. Met name Iran heeft een revolutie doorgemaakt die precies omgekeerd was aan de Franse revolutie. In de Franse revolutie werden de priesters opgeknoopt door ongelovigen, in Iran knoopten de geestelijken de ongelovigen op.
De immigratie door de Islam heeft in West-Europa in het algemeen, en in Nederland in het bijzonder, gezorgd voor heroverweging van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Moet het een godsdienst worden toegestaan zich te uiten, als die godsdienst zich niet kan of wil verenigen met eveneens diezelfde Universele Verklaring in haar verplichtingen en geboden? Het hoofddoekje en de boerka worden gebruikt als tastbaar en dankbaar discussie-object. Dat veel moslims geen kaas hebben gegeten van godsdienstvrijheid als staatsrechtelijk principe, wordt duidelijk als men ziet dat men de gang naar de rechter en naar de Commissie Gelijke Behandeling wonderwel weet te vinden, en men zich beroept op vrijheden die men in eigen kring aan de eigen leden ontzegt. De rechter en de Commissie moeten moslims dikwijls in het gelijk stellen, zij moeten zich houden aan de Nederlandse wet. Veel Nederlanders reageren allergisch als zij merken dat, om enkele voorbeelden te noemen, een moslim-advocaat weigert op te staan voor een rechter (zijn geloof zou hem dat verbieden), een moslim-man weigert een vrouwelijke minister de hand te schudden (idem), een gesluierde vrouw wel uitkering ontvangt, maar weigert met onbedekt gelaat te solliciteren (idem).
Binnen de Nederlandse politiek en media woedt een discussie over het al dan niet tonen van begrip voor deze op zichzelf genomen onbenullige zaken. Ze zijn niet onbenullig, omdat ze een sterke symboolwerking hebben, namelijk minachting (zo voelen veel Nederlanders dat) voor de Nederlandse cultuur en geschiedenis. Het aantal gesluierde vrouwen is miniem, het krijgen van een hand volstrekt onbelangrijk en de rechter zal zich niet beledigd voelen als een advocaat weigert voor hem op te staan. Het gaat om de symboolwerking: jullie Nederlanders zijn onwetend en moeten je maar aan ons aanpassen, het gaat om ons heilig geloof, trouwens wij zijn ook Nederlanders. De strijd om het begrip hiervoor wordt ook gevoerd door de verschijning van een groot aantal boeken over wat de Islam en de Koran nu eigenlijk inhouden, en het opduiken van vele voorlichtende internetsites. Deze zijn alle bedoeld om begrip te kweken voor de Islam. De boeken en de sites gaan ervan uit dat een Nederlandse onkerkelijke of gelovig-christelijke lezer begrip kan opbrengen voor de vele riten, voorschriften en gebruiken zonder welke men geen goed mens zou kunnen zijn, en die zorgen voor het zielenheil van degene die ze navolgt. De ongelovige zegt dat allemaal niets en hij wil zich er ook niet in verdiepen, omdat hij geen persoonlijk probleem ervaart als hij ze niet kent, laat staan niet navolgt. Hij zal terecht zeggen dat in dit land vrijheid van godsdienst bestaat, en dat de moslim thuis en in de moskee mag doen wat hem goeddunkt, maar dat op het werk, op straat, in de omgangsvormen, in de winkels, op TV, in de restaurants en in het bank- en verzekeringswezen de wetten van ons land gelden en niet die van de Islam.
De aversie tegen landgenoten en immigranten die zich in hun kleding overduidelijk als moslim presenteren, ligt mijns inziens niet in de eerste plaats in de overlast door Marokkaanse jongens in de grote steden, maar vooral ook in het gebrek aan belangstelling die moslims aan de dag leggen voor Nederlandse cultuur, waarden en historie enerzijds, en anderzijds de Islam op een hautaine manier propageren als de grote heilscultuur voor individu en samenleving. Ideeën waarvan men in het westen reeds lang afscheid heeft genomen. Bovendien zien Westerlingen hoe moslims elkaar vermoorden (Sjieten en Soennieten) en in hun landen de niet-moslims het leven zuur maken.
Vandaar dat een hoofddoekjesverbod geen zin heeft. De moslimwereld zal zich door haar nadruk op respect en gezichtsbehoud, beledigd voelen en geen milliseconde nadenken over hoe een dergelijk verbod past binnen een welwillende, Westerse traditie. De jonge schoolgaande meisjes zullen ook hun hakken in het zand zetten, eventueel samen met hun ouders. Een hoofddoekjesverbod werkt polariserend. Ook wanneer zoals in Antwerpen er nog maar één middelbare school is die ze toestaat, moet ze blijven toegestaan. De school die het betreft, doet er beter aan de leerlingen op te voeden tot respect voor Westerse waarden en andere godsdiensten dan de Islam, dan roepen dat ze een “Islamitische school” dreigt te worden als ze het hoofddoekje niet verbiedt.
Het toestaan van hoofddoekjes past in een cultuur waarin de UVRM wordt gerespecteerd, en ook RK religieuzen en orthodoxe Joden hun kledij wordt toegestaan. Een uitkering aan een boerka-draagster moet m.i. worden geweigerd, evenals vrouwen uit banen kunnen worden geweerd waarin het niet-dragen van een hoofddoekje of de boerka, of het geven van een hand, als noodzakelijk wordt gezien voor het uitvoeren van het werk waarvoor men is ingehuurd.
Hoofddoekjes en de strijd erom zijn tegelijk ook een wapen in de handen van de algemeen-fundamentele, kosmopolitische stroming in de Islam die de verschillende subculturen in Islamitische landen aan het afzwakken is: overal hetzelfde model hoofddoekje, overal dezelfde jurken en kalotjes voor mannen, overal dezelfde strenge en zo letterlijk mogelijke interpretatie van de Koran. Een verbod van hoofddoekjes werkt deze stroming in de hand, ze wakkert onlustgevoelens en strijd aan en verhindert communicatie.

Tuesday, July 14, 2009

Nogmaals het rookverbod in de horeca.

Andries de Vries uit Lelystad geeft eigenlijk alleen maar argumenten waar je het eens mee kunt zijn. Dat komt omdat hij natuurlijk opgelucht is als niet-roker, en blij is met elke vermindering van rook in zijn omgeving. Roken is slecht dat weet ik ook, en in deze tijd moet alles wat slecht is voor de gezondheid worden teruggedrongen. Neem bv. ook al die mensen met overgewicht, waaronder veel kinderen, en het alcoholprobleem dat van alle tijden schijnt te zijn. Ook moet het autorijden met veiligheidsvoorschriften omgeven worden en moeten we ons houden aan de verkeersregels.

Waar het mij echter, en met mij velen, over de schoenen loopt is de steeds groter wordende bedilzucht van de overheid. Ik schrijf dat toe aan vier dingen, die min of meer met elkaar samenhangen.

1. de golf van privatisering in het recente verleden

2. de steeds toenemende vrees voor aansprakelijkheid bij instanties en organisaties (waaronder de overheden zelf)

3. de toegenomen criminaliteit en oncontroleerbaarheid van grensverkeer en

4. de toegenomen politieke macht van pressiegroepen

Omdat ik roker ben ondervind ik de directe gevolgen van de regelzucht. Verder ben ik ook gastouder voor een jeugd-hulpverleningsinstantie. Daardoor word ik geconfronteerd met vele bezoeken van begeleidende mensen die meer bezig zijn met het invullen van formulieren en het maken van verslagen voor de overheid, dan met hulp-werkzaamheden. Zelf moet ik die verslagen ook invullen. Hetzelfde zie ik ook bij de instelling waar mijn verstandelijk gehandicapte broer woont. Aanleiding hiertoe zijn enkele voorvallen uit het verleden waarover nogal wat te doen is geweest in de politiek, en dus worden er nieuwe verantwoordingsregels gecreëerd.

Nu moeten we straks allemaal vingerafdrukken afstaan als we een paspoort aanvragen, die komen in een gigantische databank. Gelukkig zijn hier al juristen in het geweer gekomen. Op mijn werk, een HBO-instelling, worden we helemaal doodgeregeld. Docent ben je niet meer, je bent onderwijskundig medewerker (de woorden van een staatssecretaris). Als je vindt dat een werkstuk een 5 waard is en geen 6, moet je dat uitgebreid verantwoorden met procedures waar de student recht op heeft. Dus moeten de beoordelingen worden ingevuld op grote lijsten met nauw sluitende, gedetailleerde criteria, zogenaamde “scoring rubrics”. Niemand van mijn collega’s volgt die nauwgezet, omdat je dan een dubbele dagtaak hebt. Verantwoording geschiedt dan noodgedwongen achteraf als het nodig is.

We zien het ook in de taxiwereld. Ook daar wordt nu geroepen om meer en strengere regels, nadat het taxi-wezen eerst was geprivatiseerd, dwz aan de marktwerking overgelaten.

Kortom, nadat in de vijftiger en zestiger jaren de overheid, de vakbonden in de SER en enkele zeer grote (staats)bedrijven degenen waren die in dit land de lakens uitdeelden, is deze macht nu versnipperd over velen dankzij de privatisering en de pers die breed alle kleine en grote misstanden als rode-orenverhalen uitmeet. Nu geen krachtdadige overheid meer maar een parlement dat schijnt te bestaan bij gratie van de vele, vele vragen die individuele kamerleden stellen over wat er nu weer voor ergs is gebeurd. De vroegere pressiegroepen, die toendertijd als vervelende luizen in de pels werden gezien, zijn nu evenwaardig geworden aan de vele organen en instanties die de overheid als adviseur dienen. Zo ook de anti-rooklobby, die nu dus het horeca-rookverbod erdoor heeft gekregen. Rokers worden nu gezien als meelijwekkende verslaafden die hier en daar nog een hoekje mogen hebben, zelfs op de stations dienen zij zich in de open lucht te scharen rond speciale asbakken, zodat de rookhaters weten dat ze daar niet moeten komen.

Privatisering oké, maar de overheid blijft wel verantwoordelijk voor het welzijn van de burgers. Vandaar de berg regels die over ons wordt uitgestort, want de verzelfstandigde scholen, ziekenhuizen, zorg-instellingen en vervoersbedrijven moeten wel blijven doen waarvoor ze bestaan, en wel zo dat de rijken niet worden bevoordeeld. We krijgen dus nog meer regels, en nog meer medewerkers die daar formulieren en verslagen voor moeten invullen. Bestaande medewerkers let wel, want er mogen er niet meer bijkomen want dat is natuurlijk te duur. Daarnaast krijgt ook de individuele burger de regels voor zijn kiezen, want we moeten met ons allen gezonder gaan leven en er mogen niet teveel criminelen en illegalen het land binnenkomen. Het opengooien van grenzen dient de marktwerking, maar de ongewenste neven-effecten moeten met regels worden gedicht waar we allemaal last van hebben.

De regels die er van oudsher zijn blijven natuurlijk van kracht, zelden wordt er een regel afgeschaft. De regel die het roken verbiedt in alle horecagelegenheden heeft ertoe geleid dat ik alleen maar in een café of restaurant kom als dat niet anders kan, net zoals vroeger de niet-roker dat deed, en wat ik zie zijn verontschuldigende gezichten en opmerkingen van de horeca-eigenaar, die van alles doet om het “leed” te verzachten. Ik zie nog steeds niet in waarom een horeca-baas die geen personeel heeft, desalniettemin toch een rookverbod moet hebben in zijn café, uit concurrentie-overwegingen? Kom nou, dat is toch tegen de marktwerking?

Ik pleit niet voor een terugkeer naar een sterke alles omvattende overheid, met cafés en huiskamers die blauw stonden van de rook. Dat ik op school niet mag roken is alleszins begrijpelijk, ik ken de situatie van rokende leraren maar al te goed. Maar of het nu zó moet, dat is vragen om burgerlijke ongehoorzaamheid.

Tot slot nog twee voorbeelden van regels die zijn afgeschaft die ik mij voor de geest kan halen:

Uit de standaard-algemene politieverordening is sinds zo’n 25 jaar afgeschaft de regel dat paarden niet zichtbaar vanaf de openbare weg de liefde mogen bedrijven en ook is afgeschaft het verbod op religieuze processies buiten de traditioneel-katholieke provincies (zodat in Dokkum de Bonifatiusprocessie gehouden kan worden en de “stille omgang” in Amsterdam niet meer als een zwijgende stoet ’s nachts zonder enig vertoon hoeft plaats te vinden. Ik zou zeggen: noem mij eens een afgeschafte regel, waar heel veel mensen wat aan hebben, en die niet vervangen is door nieuwe regels die minstens even hinderlijk zijn. Misschien zijn die te vinden, maar het is zoeken als naar een regel in de Verzameling Koninklijke Besluiten.

Het rookverbod in de horeca: een zegen voor een ieder…

Andries de Vries wilde reageren op mijn artikel over het rookverbod in de horeca, maar zijn bijdrage werd geweigerd omdat het te lang was. Vandaar dat hem hier opneem. Ik ben nog aan het schrijven om hem van repliek te dienen.

Toen op 1 juli 2008 het rookverbod in de horeca van kracht werd, haalde ik opgelucht adem. Wat fijn. Eindelijk horeca-gelegenheden bezoeken zonder last te hebben van die hinderlijke tabaksrook.Dat er verzet was en zou zijn, heeft me niet verbaasd. Ook niet dat die komt uit de hoek van de kleine horeca en met name de café’s op de hoek. Vaak zonder personeel. Is het dan niet betuttelend van de overheid om een algeheel rookverbod in te voeren, waardoor deze kleine horeca-ondernemers onevenredig hard getroffen worden? Ik vind van niet.De werknemersAls het gaat om de bescherming van werknemers, had het rookverbod helemaal niet ingevoerd hoeven te worden. Op grond van het Burgerlijk Wetboek dient een werkgever te zorgen voor een arbeidsplaats die geen nadelige invloed heeft op de gezondheid van de werknemer. Als hij daarin niet slaagt en de werknemer leidt schade bij de uitvoering van zijn werkzaamheden, is de werkgever aansprakelijk voor deze schade.Wellicht rookt de werknemer in de horeca zelf. Maar ook als hij als roker even niet rookt, wordt hij blootgesteld aan schadelijke stoffen, omdat hij voortdurend werkt in een ruimte waar gerookt wordt. De Arbowet gebiedt de werkgever maatregelen te nemen die gericht zijn op de bron van het risico. In dit geval het wegnemen van schadelijke tabaksrook. Dat betekent de werknemer laten werken in een ruimte waar die stof zich niet bevindt. Simpel gezegd: niet roken in ruimtes waar horeca-medewerkers werken.Nu is de horeca in de aanloop naar het rookverbod creatief geweest. Ze creëerde ruimten waar wel en ruimten waar niet gerookt mocht worden. Werknemers dienden echter wel de rommel van de gasten in de rookruimten op te ruimen. Dus sluitend was deze maatregel niet. Het rookverbod helpt de werkgevers in de horeca om aan de eisen van de Arbowet te voldoen en dit in een periode, waarin de overheid stelt dat werkgevers en werknemers dit beter zelf samen hadden kunnen oplossen. Op dit punt kunnen zij dit niet en dus helpt de overheid een handje.Nu kun je zeggen dat je kunt weten, als je in de horeca gaat werken, dat je met tabaksrook te maken krijgt. Maar dat is een argument dat geen hout snijdt. Een directeur van een ICT-bedrijf zei eens tegen mij dat, als je niet tegen RSI kunt, je beter niet in de ICT kunt gaan werken. Een gekke opmerking als je weet dat langer dan 5,5 uur beeldschermwerk per dag schadelijk is voor de gezondheid en veel mensen met RSI-gerelateerde klachten in de WAO/WIA zitten. Een oplossing voor het voorkomen van gezondheidsschade is simpel: niet meer dan 5,5 uur beeldschermwerk per dag en regelmatig op tijd pauzes inlassen.Roken en meeroken schaadt de gezondheid. Moet je daarom maar stellen dat je dat als (meestal jonge) werknemer die in de horeca gaat werken had kunnen weten? Nee. Juist deze werknemers dienen daartegen beschermd te worden. Dat is geen betutteling, maar verantwoording nemen.Wat dacht je van deelname aan het verkeer. Dat is, zie de cijfers, een riskante bezigheid. Daarom rijden we ook in auto’s die goed beschermd c.q. beveiligd zijn. Hebben we een prima systeem van regels, waaraan iedere verkeersdeelnemer zich dient te houden. Maar waarom gaat het vaak op fatale wijze mis? Om dat laatste: het niet houden aan de regels en het eigen vermogen overschatten. De Wegenverkeerswet is geen betutteling, maar bittere noodzaak, omdat de regel: “we lossen het samen wel op” in het verkeer niet werkt. En dat doet het in de horeca ook niet.Het rookverbod is niet betuttelend. Het laat zien dat de overheid een stap zet, die betrokken partijen niet durven te zetten, terwijl ze dat wel zouden moeten doen. Het rookverbod toont een moedige overheid en daar is altijd verzet tegen.En de gasten dan?Als rokende gast word ik belemmerd door het rookverbod. Het is een belemmering in mijn vrijheid om te roken op een plek waar ik gastvrijheid geniet. Als niet-rokende gast word ik belemmerd in mijn genieten van gastvrijheid als ik voortdurend wordt geconfronteerd met de tabaksrook van anderen. Dat geldt niet alleen voor café’s, maar ook voor restaurants en hotels.De grenzen van de gastvrijheid worden bepaald door de gastheer. Wie horeca bedrijft, stelt zijn private domein beschikbaar als publieke ruimte. Daarmee is de overheid mede gastheer geworden en is het rookverbod niet alleen een regel ter bescherming van de werknemer, maar ook een zaak van de volksgezondheid. Een overheid mag regels stellen die gelden tot in het publieke domein van de private ondernemer. Niet in zijn woonhuis, maar wel tot in zijn drinklokaal.Ik heb vaak horeca-ondernemers horen mopperen over de dalende omzet als gevolg van het rookverbod. Als dat werkelijk zo is, dient de overheid na te denken over compensatie. Maar ik denk vaker dat, als je failliet dreigt te gaan als gevolg van het rookverbod, je je beter kunt afvragen of je bedrijf in zijn huidige hoedanigheid wel bestaansrecht heeft. Het succesvol runnen van een horeca-bedrijf valt of staat toch niet bij het wel of niet mogen roken?

Andries de VriesLelystad, 13 juli 2009

Thursday, May 28, 2009

Freedom of Speech

At this moment a disussion is going on in the Netherlands about freedom of speech. Geert Wilders is being prosecuted (not convicted yet) because of “sowing hatred” between people, among others by his statement that the Quran is comparable to the autobiography of Hitler, a forbidden book in the Netherlands. At the same time, the leader of the liberal party Mark Rutten states that offending religious feelings and denying the holocaust must be possible without legal punishment. People from religious circles find that freedom of speech is of course an important value, codified in the constitution, but not at all prices.
It’s remarkable that Christian advocates of limitation of free speech always accuse the libertarians of being selective: freedom of speech for everybody who wants to offend religious feelings, but no freedom of speech for those who criticize Western values, such as imams and those who preach “war against the enemies of Islam”. I can’t understand this, because the libertarians are against those who want to limit freedom of speech, so it’s logical that they also try to limit the power and influence of those who want to limit it. Is there a fundamental difference between the two parties in their mindset of the world?
Anyway, saying something in public or writing or drawing things that go against deeply felt values of people is always unpleasant for those who adhere to the attacked values. In our country we have always accepted this more or less. In our country we know that we are a people with different values. Take the view on homosexuality. Those who are “against” homosexual manifestations and claim that homosexuals are not “normal” people but sinners trespassing natural and God’s laws, are continuously offended by what they see around them. They live in a “bad and sinful world”.
There’s a general law that everybody thinking a bit rational must agree with and that is the rule “don’t do to others what you don’t want others do to you”. In the present discussion, this rule is jeopardized. The rule seems reasonable and fair, but just apply it to the parties in this discussion: Mark Rutten doesn’t want to be muzzled by religious opinion leaders, but he wants to muzzle them. Why? Because he sees and hears how these others want to muzzle everybody who will criticize or offend their religious values. Most Muslim countries don’t have our separation between church and state, Islam is a “state religion”, and we can be sure that if Muslims get the power in the Netherlands, they will abandon this separation. It’s a matter of principle. We see also how a famous cabaret performer on TV offends Jesus on the cross and mocks with him just like the Roman soldiers. It was the first time in my life I felt feelings of disgust. I’m sure that if he would have been prosecuted, just like Geert Wilders, for “sowing hatred”, masses of fans would protest against this crying that there’s freedom of speech. But the cabaret performer is not prosecuted, because he doesn’t sow hatred, Christians are not allowed to hate.
So I don’t think we should legally prosecute people like Geert Wilders. Why should we do so only when the Islam is the offended religion? We should treat Islam just the same way as we treat other religions. When we are going to use the Muslim muzzling methods, then we are doing just the things Geert Wilders and Mark Rutten are warning for.

Another option is to also prosecute the cabaret performer mocking the holy cross, and get more strict in pursuing the goal of our constitution. This constition also says “there is freedom of speech within the limits of everybody’s responsibility towards the law”. There are many articles in the law that prohibit slander and defamation. Let’s just apply these rules more consistently. Our hesitation to apply these rules has been hindered by the jurisprudence of the last 50 years in which room was created for a more ample application of the concept of freedom of speech. But offending remains an intolerable act.

Saturday, April 04, 2009

Het rookverbod in de horeca

Het rookverbod in de horeca is van een betuttelingskarakter dat we slechts kennen uit Islamitische landen, het is een vrij land onwaardig. Onverminderd de bezwaren die er tegen het roken bestaan. Laten we eens kijken om welke redenen deze uitspraak niet overdreven is.
We beperken ons tot de enige reden en het enige motief: werknemers moeten te allen tijde en overal gevrijwaard blijven van lucht die tabaksrook bevat.

1. Er zijn tal van banen waarin werknemers zich in een risicovolle situatie begeven, voorbeelden hoef ik niet te noemen, maar laat ik het toch doen: stratenmaken, schepen schoonmaken, ramen wassen, op bouwwerken werken, in het onderwijs werken (stress!), werken in de nabijheid van vergif en exploderend materiaal, werken in het verkeer, enz. enz. In al deze gevallen wordt terecht geredeneerd, dat iemand vrij is in het kiezen van een baan, en dat de overheid er alles aan doet om de veiligheid zoveel mogelijk te waarborgen. Helemaal uitsluiten van risico is onmogelijk, omdat dan de bedrijfstak lamgelegd zou worden.

2. Uitlaatgassen en vervuiling worden in de open lucht talloze malen boven de gestelde normen getolereerd, evenals het gevaarlijke deelnemen aan het verkeer.

3. Mensen zijn vrij in het beschikken over ruimten binnen gebouwen die hun eigendom zijn, mits daar geen criminele of wetsovertredende kandelingen plaatsvinden (dat mag nl. nergens). Inbreuk hierop wordt als “huisvredebreuk” aangemerkt.

4. Een horeca-ondernemer is vrij een zaak te beginnen en te onderhouden als hij over de benodigde papieren en geld beschikt. In een horecabedrijf is hij gerechtigd huisregels in te stellen. Een klant van hem is vrij zijn zaak al of niet te betreden.
Zo is ook de werknemer vrij in het al dan niet aanvaarden van een betrekking bij de ondernemer.

5. De overheid legt natuurlijk regels op ten aanzien van arbeidsomstrandigheden. Ze gaat er van uit, dat de meeste horeca-werknemers niet-rokers zijn die schade ondervinden van de rook van klanten en rokende collega’s. De vraag is of dat zo is. Ja, dat is wetenschappelijk vastgesteld. Hierop zou ik willen zeggen dat werken zelf ook schadelijk kan zijn, onderzoek het maar en het zal blijken. Het zal moeilijk zijn om een activiteit te vinden die absoluut niet schadelijk is.

6. In horecabedrijven wordt het schadelijke alcohol gedronken. Nu kun je zeggen: ja maar daar heeft het personeel geen last van. Nee het personeel misschien niet, maar honderdduizenden anderen wel, uitweiding hierover is overbodig.

7. De wet die het roken in horecabedrijven verbiedt, is tot stand gekomen na een jaren- en jarenlange lobby van fervente tabakshaters, die het liefste het tabaksgebruik helemaal zouden willen verbieden. Het roken is afgenomen, er zijn nu ongeveer een kwart tot een derde van de volwassenen die nog roken, en die hun peuken vooral op straat gooien en niet meer in asbakken.

8. Het rookverbod in de horeca is tamelijk gratuit: het kost de overheid weinig geld en de economie gaat er niet op achteruit. Wel kan men politiek scoren ten opzichte van de niet-rokers. Hiervoor werd dus gekozen, ten koste van de algemene principes van de vrije rechtsstaat (zie hierboven).

9. Hierdoor wordt de deur geopend voor tal van andere voeten tussen de deur van ondernemers en particulieren. In België is al een wetsvoorstel in de maak om ouders het roken in het bijzijn van kinderen te verbieden, ook in hun eigen huis. Natuurlijk een sympathiek voorstel waarvoor je de handen van veel kiezers op elkaar krijgt. Maar laten we dan ook maar de agressieve videogames verbieden en het gebruik van Internet in huishoudens waar kinderen zijn. Nee natuurlijk want daar zijn hele industrieën aan gekoppeld met geld en werkgelegenheid.

10. Het rookverbod in de horeca is hypocriet omdat het schermt met bescherming van werknemers maar de beginselen van de rechtsstaat en de vrije keuze van werk en vrij ondernemerschap binnen de kaders van rechtvaardigheid en redelijke veiligheid, met voeten treedt. Zeker omdat alcohol en tabak voor veel mensen horen bij gastvrije gezelligheid die het product zijn van de horeca.

Tuesday, March 03, 2009

Een TV-discussie over creationisme en evolutietheorie

Je kunt nu met een gerust hart zeggen dat evolutietheorie geen theorie meer is, maar onomstotelijk bewijs dat het leven op aarde zich ontwikkeld heeft volgens de wetten van evolutie, zoals beschreven door o.a. Charles Darwin en de latere correcties en aanvullingen op zijn werk. De onderzoekingen op het gebied van "snelle evolutie" en naar mijn idee ook de snelheid waarmee virussen zich aanpassen aan vaccins, ondersteunen de theorie aan alle kanten. Desondanks zijn er veel mensen die zich daar niets van aantrekken en blijven beweren dat alles in zes dagen is “geschapen”. Dat is bekend, en ook is bekend dat het met geloof te maken heeft. In de westerse cultuur maakt men daar een punt van. Dat is ook de verklaring dat een aanwezige orthodoxe moslim in het discussie-gezelschap, glimlachend over zoveel domheid, bleef beweren dat de “moderne wetenschappelijke inzichten” al lang bekend waren uit de Koran, dus waar maakten we ons druk over. Hij daagde iedereen uit te bewijzen dat ze niet in de Koran stonden. Hij kreeg geen gehoor, want de christenen in zijn gezelschap vonden hetzelfde in de Bijbel en de atheïsten vonden het überhaupt niet de moeite waard om op deze ”nonsens” te reageren.

Wat het Christendom betreft, kennen we uit de geschiedenis vele voorbeelden van bestrijding door de kerk van wat we nu de normaalste zaak van de wereld vinden zoals dat de aarde rond is, dat zij om de zon draait en niet de zon om de aarde, dat Jeruzalem of Rome niet het centrum van de wereld is, enz. Alleen met de evolutietheorie wil het maar niet lukken. Westerlingen zijn gepokt en gemazeld met de idee dat waarheid niet alleen spiritueel en transcendenteel is, maar ook en vooral tastbare werkelijkheid moet zijn. De predestinatietheorie van Calvijn is daarvan een mooi voorbeeld. Het is onmogelijk om het spirituele en waarneembare, tastbare met elkaar in overeenstemming te laten zijn, maar veel Christelijke theologen doen niet anders. De Bijbel staat ook vol met historisch echt klinkende verhalen, alsof alles echt gebeurd is. De meeste godsdiensten hebben dat soort verhalen, maar het weerhoudt de belijders ervan niet om verstandig en rationeel met hun leven om te gaan. Behalve in sommige gevallen, die vanuit Westerse optiek toch wel belangrijk zijn. Neem bv. de sharia, of neem de vele voorschriften waaraan je je als goede moslim of Jood moet houden. Het ophangen van homoseksueel geaarde mensen, het executeren van ex-geloofsgenoten, het in alle opzichten voorrang geven aan mannen in de maatschappij enz. kan niet rationeel worden genoemd.
Daarnaast zijn er theologen die hier geen punt van maken. Zij laten in het midden of de verhalen echt gebeurd zijn of niet. Om een goed gelovige te zijn, is het niet nodig in de letterlijke, door menselijke zintuigen waarneembare betekenis van de teksten te geloven. Bijvoorbeeld Augustinus geloofde niet in het scheppingsverhaal, integendeel, hij laat feilloos de ongerijmdheid ervan zien, niet door te bestrijden dat het gebeurd is, maar door de betekenis van de Godheid als transcendentaal Wezen te pogen te beschrijven, waardoor de God in het letterlijke scheppingsverhaal gereduceerd wordt tot een niet-goddelijk wezen, een soort tovenaar die straft omdat de twee creaturen die hij heeft gemaakt zich niet aan zijn bevelen houden.

Wat de Islam betreft, die zoekt het niet in bestrijding maar in adoptie. Alles is per definitie beschreven in de Koran, er kan gewoonweg niets zijn buiten de Koran om. Beweren dat de Koran "geen gelijk" heeft, dat is wat wordt bestreden, en het verlaten van de Koran als leidinggevend en richtinggevend Boek wordt gezien als verraad. De bij de discussie aanwezige moslim kon gewoon niet anders dan stellen dat het allemaal al in de Koran stond, immers zijn gezelschap bestond uit onwetenden die de Koran nog niet kenden en dus niet hoefden te worden bestreden. Gelukkig was er niemand die de Koran ter discussie stelde in deze "discussie", dat was ook niet het onderwerp van gesprek.

Ik geloof dat het een kwestie is van pure macchiavelliaanse macht. Zolang “het volk” maar niet twijfelt, is er niets aan de hand. Zodra via media of anderszins het volk lucht krijgt van andere dan letterlijke betekenissen, of dat er andere betekenissen mogelijk zijn dan die welke in het Heilig Boek worden beschreven en goedgekeurd door de religieuze autoriteiten, dan wordt de uitvinder van die betekenissen op het matje geroepen van de bewakers der waarheid. Professoren en geleerden mogen in hun bladen ongeremd filosoferen en debatteren. Waarom is dat zo? Omdat de machthebbers (terecht of onterecht) denken dat het gewone volk die hogere betekenissen niet kan vatten, en gespleten zal worden in navolgers van de nieuwe inzichten die vervolgens vertaald moeten worden in be-grijp-bare termen en dus verminkt (Calvijn’s predestinatie) enerzijds, en verdedigers van de traditionele, “tastbare en grijpbare” orthodoxe zienswijzen anderzijds.

Naar mijn mening zijn de evangeliën zelf vanuit die optiek geschreven. Er was sprake van een verloren gegaan oer-evangelie. Volgens de nieuwste inzichten moet Paulus bekend zijn geweest met dit oer-evangelie, waarin sprake is van de weinige, maar wel zeer essentiële verwijzingen door Paulus naar het leven van Christus en Zijn rol in de wereld. Slechts de kruisdood en het doel van de kruisdood komen ter sprake, verder niets. Onder andere op basis hiervan is ontdekt dat de brieven van Paulus geschreven moeten zijn nog voordat de vier canonieke evangeliën die wij in onze schrift hebben opgenomen, waren opgetekend. Anders zou Paulus er zeker naar verwezen hebben. De evangeliën waren nodig om met concrete verhalen over wonderen en gelijkenissen het volk mee te krijgen. In Mattheus 13, 10-15 zegt nota bene Jezus zelf op de vraag van Zijn leerlingen waarom Hij in gelijkenissen spreekt: “omdat het u gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk te kennen, maar hun niet”. (vs 11) en: “omdat zij ziende niet zien en horende niet horen of begrijpen”. (vs 13). Het is zelfs de vraag of Jezus echt heeft bestaan. De moderne geschiedvorsing en intensief gericht bronnen-onderzoek heeft nog geen enkele aanwijzing over Zijn bestaan opgeleverd buiten de evangeliën zelf, en buiten de ene passage die Flavius Josephus aan Hem wijdt, en die door historici als twijfelachtig wordt aangemerkt omdat hij er later aan toegevoegd zou kunnen zijn. Dat toevoegen werd in de vroege middeleeuwen en later ook, als volstrekt geoorloofd beschouwd omdat de oorspronkelijke auteur het in die paragraaf heeft over tijden en plaatsen die vanuit de evangeliën belangrijk zijn en de waarheid van het evangelie natuurlijk boven elke twijfel was verheven. Ook is bij Tacitus aantoonbaar zo’n toevoeging binnengeslopen, omdat in de toevoeging zelf beweringen worden gedaan die Tacitus zelf als niet-gelovige nooit gedaan zou hebben.

In elk geval is er een grote discrepantie tussen enerzijds wat veel mensen geloven en anderzijds wat de wetenschap ons aantoonbaar voorschotelt als "de werkelijkheid". In het Westen wordt dat sinds enkele eeuwen een probleem gevonden, zich vertaklend in een voortdurende strijd tussen religie en wetenschap. De komst van de evolutietheorie was een van de hoogtepunten. Het was te laat in de geschiedenis om Darwin op de brandstapel te zetten, maar enkele eeuwen eerder zou dat zeker zijn lot zijn geweest. Die strijd laat zien dat machthebbers het zeer belangrijk vinden dat wetenschappelijke inzichten stroken met wat in de bijbel staat, waarbij dan de laatste toetssteen is. In discussies met orthodoxe christenen is het mij ook opgevallen dat zij "werkelijkheden" zoals in de bijbel beschreven, steeds willen be-argumenteren met ook weer aan dezelfde bijbel ontleende argumenten. Een soort logica die binnen de wetenschap zeer verdacht is. Als ik bv. de Wetten van Mendel wil verdedigen tegenover kritiek, moet ik mijn argumenten niet uit diezelfde wetten halen.

Binnen gelovige kringen en ik denk ook in de geschiedenis van vóór de verlichting, is en was het daarentegen een normale geaccepteerde redeneertrant. Heel opvallend is hoe in de evangeliën wordt beschreven hoe Jezus Zijn eigen lijden en sterven over zichzelf regisseert "om de voorspellingen in de Schrift te doen vervullen". Iedereen slikte dat toen voor zoete koek en de moderne theoloog concludeert eruit dat Jezus zich van Zijn missie bewust was en zelfs Judas opdracht heeft gegeven om Hem te verraden. Deze heeft zich verhangen, niet uit wroeging in deze zienswijze, maar omdat hij deze rol niet kon verdragen: uit liefde voor Jezus moest Hij hem overgeven aan de Romeinen en het Sanhedrin, mogelijk in opdracht van Jezus zelf. Om zo de schrift in vervulling te doen gaan.

De meest gehoorde opvatting is, dat in de kwestie van de evolutietheorie, maar ook in andere kwesties die raken aan onderwerpen waar religie zich ook mee bezighoudt, men geloof en wetenschap gescheiden moet houden. Ik vind dat OK in het maatschappelijk evrkeer, zoals men ook moet erkennen dat er meerdere geloven (religies) zijn en men die ook uit gescheiden moet houden. Ook moet men om die reden staat en geloof gescheiden houden. Op het individuele vlak is dat moeilijker. Een professor in de natuurkunde kan die twee dingen moeilijk scheiden. (wordt vervolgd).

Monday, October 27, 2008

A systems approach to animals, organizations and humans



In the nineties of the last century the so-called “systems approach” was a trend in management literature. It had been originated from the so-called “systems theory”, formulated by Ludwig von Bertalanffy, a biologist. I was reminded of it reading a commentary on an Internet blog where somebody used the word “outlet centre” Such an centre exists in Lelystad and is a kind of shopping mall for luxury goods and clothing.. In Dutch an outlet centre, or better: uitlaat-centrum, could be a shop where you can buy a new or second hand exhaust-pipes for cars, and is also not associated with luxury goods, only with men with dirty hands and blue garage clothing. Or maybe a terrain where you can let your dog out. So it’s better not to translate the word, and let it remain English.

The Internet blog where I read the word gives the opportunity to give comments. So I gave a comment: “Your use of the word “outlet centre” to indicate a shopping mall reminds me of a group of shops that relieve their nature and of potential customers who are sniffing around to smell something they might like. Because outlets are also more or less outputs, it reminds me also of systems theory, and I you made me intend to investigate how shops run by humans and animals can be approached by this theory”. It came up in my mind how I once used rabbits as an example (not real rabbits of course but only the drawing of a rabbit on a whiteboard) to explain systems theory to a group of students. As said, the father of systems theory is Ludwig von Bertalanffy (1901-1972). He discovered that there are entities such as organisms that didn’t obey to the general physics law that all things tend to decay and fall apart until a state of equilibrium is reached. Example: an apple fallen from a tree will rot and eventually totally integrate into its environment. Also so-called “closed systems” such as car engines, clocks, TV sets, mobilephones, buildings etc. when left at their own, will wear out and get “out of order” After hundreds of years nothing will be left from any mobilephone. Bertalanffy discovered that so-called “open, self-regulating systems” escape from this fate when left at their own, because they have built-in monitors that give them “instructions” to keep them functioning. All living organisms are open, self-maintaining systems. A general model (the core of systems theory) for a system is the so-called input – transformation – output – feedback communication model. The input is everything that comes into the system, intended or un-intended. The output is everything that leaves the system, and everything in-between is called transformation of the input to a desired output (notice the doubtful word “desired”). If the output is not within certain measurable measures (too hot, too cold, too heavy, too light, too etc.) then the feedback mechanism takes care that this info is communicated to the input and/or the transformation department of the system, where it is corrected (think of a central heating system with a thermostat). This is the model as it is described in management-textbooks.

Our management textbooks we use in our school give a clear description of this all, and everybody who reads them can imagine an organisation or a company as an open, self-regulating or self-maintaining system. Of course, its outputs are its products (often sold via outlets). That’s what companies are for. The output of a school is knowledge and competence, but also graduated students in which these are incorporated, because knowledge and competence can only be wrapped in humans. (there are books “full of knowledge” but if nobody reads them there is still no knowledge). These books locate the feedback mechanisms at the output hole (its outlet): the output has to meet criteria and norms, and the output is constantly monitored if these criteria and norms are met. If not, a feedback communication will start. So when I was talking with the students about feedback in the rabbit-system, I also put the feedback monitor at the output. Of course you can imagine the laughter when I was hesitating about the “product” of the rabbit at its outlet, and I was really confused. If the rabbit had a diarrhoea, would there be a feedback communication between its output opening and its inside? But I soon realized our mistake. A rabbit’s system output is not its excrements but a rabbit-friendly feeling. The system “rabbit” looks for a “product” that best maintains it, and that best suits its chances to survive. Then it feels “happy” and quiet. Of course a rabbit doesn’t produce this happy feeling just like a factory produces goods, its production process consists of looking for and searching. The product is what it finds after that looking for and searching.

Many management textbooks tend to blind us by emphasising that the product of a firm is its desired output, namely its products and services. It’s totally different: its products are part of its transformation sub-system and not its output. Its output is the “feeling” of the firm, namely that its management and staff are happy with their market position, revenues, profits, earnings and social status it gives when having a respected job. The feedback monitor is located at the place where this output, this environment can be monitored. These monitors are the market research function, the legal affairs, human resources and financial specialists etc. They are “the eyes and ears” of the firm. When Europe becomes an uneasy place for a firm then it moves to another part of the world, just like an animal moves to a place where there is more food or better shelter, or where costly resources are more efficiently acquired.

This leaves an important question unanswered: if you state, like management theory does, that an organisation is an open, self-regulating system, where do you put its products? What are the “products” of comparable open systems such as animals? If we look at animals then we see that they produce three things: offspring, waste and maintenance of the eco-system they live in. They contribute to the welfare, the economy of their environment by maintaining it un-intendedly by catching, eating, producing dung and dying. By creating offspring they maintain their species, also un-intendedly, and by fighting and defending behaviour they take care that their environment is not taken over by others. If needed, however, if their environment is damaged they can look for another environment or take action to maintain its current situation, but only as far as their competencies will allow. In principle the same is the case with companies. Companies merge or change their shapes and structures to maintain their species, they catch, eat, they produce waste. They even fight (with financial and/or legal weapons). The problem with companies, considered from a systems view, i.e. considered from a view of nature, is that most of their products are waste, not contributing to a natural eco-system. They contribute to a psychological, human eco-system, which is of no positive relevance to nature, but has indeed serious effects on the physical natural environment. An automobile factory produces waste. The waste is not only the by-products, but also the sellable products themselves. A company feels fine and happy when “the demand” asks for enough products, slightly more than they can produce, because then there’s growth. This “demand” is purely human, never animal or natural, and humans are also open, self-regulating systems of their own. They differ from animals like organisations also differ from animals in producing (far) more waste than nature can bear, in their striving for a satisfying output, namely a condition in which they can operate satisfactorily. How does this work out in humans? The answer is important to understand why business organisations produce too much waste, without the feedback from their monitors that their output (their “healthy” condition) telling them that they have to change their transformation system, part of which are their production system and their products.

Animal organisms can have feelings. We don’t know if one-nucleus organisms such as amoebas have feelings, but rabbits, horses, birds, and probably also fish have feelings of satisfaction. Even very primitive organisms strive for a state in which they can function optimally, i.e. when there are enough resources around them to make themselves able to function optimally. They search, they move around, travel, sniff, feel, etc. for food and mating partners. They hunt, graze, fight, protect, build nests and holes and do everything they can to reach and maintain that situation. This way so-called eco-systems are created. Within natural boundaries “natural states” are created such as woods, parts of a sea, maybe for certain species whole continents, these eco-systems for the natural environment of the organisms that live in them. An eco-system, considered this way, is also an open, self-regulating system. But only as far as its competencies allow it. An eco-system can be damaged or devastated by natural forces, after which new eco-systems will arise. These processes can take hundreds, thousands, millions of years. Not couples of years or dozens of years at its most, like human or organizational systems. Unconsciously (as far as we know) alle living organisms contribute to the emergence and maintenance of these eco-systems, their outputs are fully in line with the output of the eco-system they live in, until forces from outside the system cause changes. We must assume that this was the way the earth as one grand super-eco-system operated before humans entered it. Evolution theory describes how the transformation processes went on within these eco-systems, bounded by physical events and situations.

At a certain point in the development of species, humans emerged from them. How these first humans originated and found their way in this world is nowhere better described than in the Genesis-book of the Bible. They learned the difference between “good” and “evil”. (Did they? Even now philosophers and scholars cannot give an exact definition of the two concepts. But we have to assume this difference, and they are described in theology and morality). In a more or less simultaneous process, their brains developed the possibility to separate an immediate situation they are in, from the imagination of that situation. I think that this process was a result of naming. A name is the symbol, the sign of the object it refers to and this way people could give each other information about things that are not immediately present. Take e.g. a dog. When you call the name of his boss in the presence of the dog while his boss is away, the dog assumes immediately that he is at the front door. He is not able to think of his boss as somebody being somewhere else. Humans can think of anything which isn’t in the immediate here-and-now, they simply imagine it. Simultaneously with the development of this ability humans developed language, a series of auditory (later also visual) signs by means of which they could combine images, situations and cause-and-effect relations that not really take place, but only in their minds. However, this language originated from its practical applicability, and not (as e.g. Plato thought) from innate ideas and concepts. They could give each other information and instructions, and they could construct instruments and weapons, and better shelters and fire. Hereby the humans became “masters of the universe”. Their outputs began to match a far wider eco-system than the eco-systems of their competing living organisms. Other than animals, humans eventually could construct their own eco-systems with dykes, acres, and hunting habits. They were much, much faster than the processes of evolution that determined the development of earthly systems up to then. They became like little gods, creating and exerting power over things and creatures that lied outside the reach of any other organism. So far so good. However, this new option of thinking, imagining, using language and power-exertion was not in line with other features and abilities that organisms possess for creating a good output for themselves. Such feature is the signal that the system has reached a satisfactory output in which it can optimally function and operate. Men are often insatiable. Animals have built-in mechanisms that tell them that they have done enough for their feeling of wellbeing, men live in a spiral of never-enough. Only their own mistakes or refusal of physical nature can stop them. This is because of their faculty of thinking, using language and imagination. Next to these, men have kept their feelings and emotions that animals also have, some psychologists have explored this mismatch as a result of evolution. Men feel anger, fear, love, loss, joy, etc. and of course they want to reach a state in which non-pleasant emotions and feelings will not occur, and pleasant feelings and emotions will be there, just like animals. We deliberately use our brains to improve our situation and to protect our possessions. We invent cars, not one car for ourselves, but millions of them because they can be sold. We invent markets. Our leaders proclaim that markets are needed, and we believe them. We are employees of a factory that produces cookies and our target is to make and sell as many cookies as possible. We write books about how to run such factories, calling them open systems and their output cookies, and their environment markets and competitors. In fact these factories are kind of temples. Closing them means great disaster because it causes unemployment and loss of money, the cookies themselves become at once unimportant, they are now only a means to keep a factory running. Please buy our cookies!

In management literature there was a debate about “the goals of the business firm”: was it production of the items it produces or was it gaining profits? Mr. Iacocca, the GM of Chrysler, spoke the famous words: “If it were money, then I know better ways of making money than producing cars”, thus indicating that he found the product the most important goal. It also illustrates how humans think in goals, destinations, purposes, intentions, functions etc. Every activity must be purposeful, and we seldom realize that most things are there just because of themselves. Systems theory is adopted by management to make their processes going on better. In debates it’s forgotten that business firms, just like so many other organizations, are just there for their own sake, because people working in them use their work to reach and maintain a state of happiness. The managers and CEO’s think too often about their wallets and bank accounts, and the profits of the firm are there to ensure this goal. Lower-ranking workers use their work for social contacts and positions, for fulfilling the need to be busy with what they and their relations find meaningful things.

It’s the human drama. Everything we invent is wonderful and often miraculous. But does it contribute to something else than mankind and market? Do the products, the output of all those organisational efforts contribute to some eco-system? Rationally speaking we cannot assume that mankind lives in an eco-system of its own, different from the eco-systems of other living organisms. It’s the same planet, the same universe that we are both dependent on. Now we enter the realm of ethics. Knowing the distinction between good and evil, together with the possession of language, symbols and imagination, makes us different from the animal world, let alone from the world of plants. We must conclude that only humans have morality which tells us what is good and what is evil. We must also conclude that there are only a few moral or ethical laws that are lived up to by most people. Many moral prescriptions and ideas are different from one era to another, from one group of people to another. I think these moral laws and guidelines are there because humans feel their lack of determining ultimate goals for activities. All human activities have some goal or purpose, or can be ascribed to some goals or purposes. But these goals and purposes are almost always limited in their scope, and when pursued, often clash with other goals and purposes of other people and organisations. Humans need morality so badly that activities are shared under the flag of a moral principle or view while a period later they are assessed as immoral, human history is full of examples. We say: people want to justify behaviour that could be seen as immoral by non-group members. So how do these moral principles and views fit into our open, self-regulating system called human being? I think that one way or another humans want to come in terms with their unique and lonely position in the universe. They see that people can damage themselves or other people by pursuing goals. They are aware that they form such an open, self-regulating system but that they cannot function like that by simply leaving everything as it goes, like animals do. Animals have no problem in damaging or devastating things, it’s in the order of nature. Men see what the effects are of their conduct, they plan and draw conclusions. Men have possessions and “vested interests”, they feel responsible for other people, for events, for the consequences of their behaviour. But in pursuing the protection of possessions, events and regulating the behavioral consequences, they are urged to pursue, again, goals and objectives, which cannot always be in line with the same valuables cherished and pursued by others. Ethics, and part of religion, is there to remind us of the Ultimate Goal: self-regulation of our System, i.e. not getting worn out and falling apart as everything else in nature.
Nothing that humans produce has a contribution to any natural eco-system, except for some organisms that feel well in the presence of humans. Which cannot be said about animals. They are fully integrated into their eco-systems. Humans produce for other humans and when they form organisations such as business firms, political parties, religious organisations etc. these organisations tend to maintain themselves, just like regimes and power-exerting systems. The goals they pursue are often empty words, hallelujah-ed by many people, despised by many others. What product is better: cookies or cars? Is it “good” to produce and sell them? Or neutral? It cannot be neutral because cars use a lot of physical space, accidents, pollution. Cookies: the same answers. Most other products: the same. Power-exerting organisations and institutions tell s what is good or bad in laws and regulations, but these organisations and institutions are influenced by vested interests: if something appears to be bad, then stopping that bad will create a still bigger bad. I’m afraid that Western society is captured in its own vested interests and manipulated moralities. Other societies have other problems, all have the problem of men that want to be free in pursuing the own goal of self-regulation, i.e. achievement of a state of satisfaction. That’s also what morality tells us, but we are too often inclined to adjust morality to vested interests we are imprisoned in. Satisfaction means literally: “done enough”. Like the cow in her meadow, chewing her meal. We don’t want to be like her. And yet…

About Me

Blog Archive